GV-1 Misvatting/veel gemaakte fout: het niet of niet volledig toepassen van de rekenregels m.b.t. machten
A: Alleen x tot de macht verheven B: Juist C: 2 vermenigvuldigd met 3 i.p.v. tot de macht 3
Tags: rekenregels voor machten
GV-2 Misvatting/veel gemaakte fout: het niet of niet volledig toepassen van de rekenregels m.b.t. machten:
A: 2 niet tot de macht verheven én bij x de exponenten optellen i.p.v. vermenigvuldigen B: bij x de exponenten optellen i.p.v. vermenigvuldigen C: 2 niet tot de macht verheven D: Juist
misvatting: leerlingen weten niet welke getallen meetellen voor significante cijfers.
A leerlingen denken dat alle 0’en niet meedoen met significante cijfers B GOED C leerlingen denken dat decimalen significante cijfers zijn D leerlingen denken dat alle cijfers significante cijfers zijn
misvatting: leerlingen weten niet welke getallen meetellen voor significante cijfers.
A leerlingen denken dat alle cijfers achter de komma significante cijfers zijn B leerlingen denken dat alle 0’en niet meedoen met significante cijfers C leerlingen denken dat alleen cijfers voor de komma significante cijfers zijn D GOED
Misvatting: leerlingen weten het verschil tussen een meetwaarde en een telwaarde niet
A leerlingen zien over het hoofd dat 1 een telwaarde is en geen meetwaarde B Leerlingen denk dat het standaard 2 significantie cijfers is C GOED D leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A de leerling ziet 0 niet als significant cijfer B de leerling kijkt naar het grootste aantal significante cijfers C de leerling kijkt alleen naar het aantal decimalen voor x10 D GOED
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn B goed C leerling noteert de gevonden waarde in de verkeerde wetenschappelijke notatie en verkeerd aantal cijfers. D leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn B goed C leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden D leerlingen kijken naar het aantal nullen in de meetwaarden en tellen die op
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een gemiddelde berekening en optellen
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn of ziet de 3 als meetwaarde B leerlingen passen alleen de regels voor vermenigvuldigen en delen toe en kappen het antwoord af. C leerlingen passen alleen de regels voor vermenigvuldigen en delen toe D GOED
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer is B De leerlingen denken dat de nullen achter de komma niet meetellen C GOED D leerlingen denken dat het aantal cijfers na de komma gelijk is aan het aantal significante cijfers
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een pH bepaling
A goed, aantal decimalen is de significantie B De leerling denkt dat de 0 voor de 7 niet meetelt in bij het aantal decimalen C De leerling heeft bij de berekening geen – log[..] gebruikt maar log [..] D De leerling heeft bij de berekening geen – log[..] gebruikt maar log [..] en ook gaat het fout bij het aantal decimalen
auteur ABS Verplicht invullen:
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een pH bepaling
A De leerling denkt dat het aantal decimalen goed is (op dezelfde manier dan met het log verhaal). B De leerling heeft niet het juiste aantal significante cijfers C Goed D De leerling heeft niet het aantal juiste aantal cijfers.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: leerlingen verwarren extrinsieke met intrinsieke eigenschappen A GOED B leerlingen denken dat de vorm bij de stof hoort, omdat ze vaak dezelfde vormen bij dezelfde stof zien C GOED D leerlingen verwarren temperatuur met kookpunt
Misvatting: leerlingen denken dat een lage dichtheid betekent dat een stof onderin een meerlagensysteem zit en dat stoffen standaard mengen. A Leerlingen denken dat water en honing mengen, maar honing en water mengen niet bij voorzichtig samenvoegen, er ontstaat een drielagensysteem B Leerlingen denken dat olie en water mengen, maar dat doen ze niet, er ontstaat een drielagensysteem C GOED D De leerling denkt dat de stof met de laagste dichtheid onderin komt, maar hij komt juist bovenin.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ademhaling.
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – borstademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen groter worden, maar koppelen dat niet aan een beweging van de borstkas. D Ze weten dat de ribben eerst moeten bewegen maar niet dat dit door spieren veroorzaakt wordt
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – buikademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen eerst groter worden maar niet dat spieren dit veroorzaken (via de borstkas) D Ze weten dat het middenrif eerst moet bewegen maar niet dat dit een spier is die aanspant.
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen halen hier de functies van de neusharen, neusslijmvlies, slijmproducerende cellen en trilharen door elkaar. Het is bij de trilharen moeilijk voor leerlingen de eigenschappen op mirco niveau te vertalen naar macro. Ze denken vaak dat de onzichtbare trilharen ook dingen vangen net zoals de zichtbare neusharen.
A GOED B Dit is de functie van de slijmproducerende cellen C Dit is de functie van het neusslijmvlies D Dit is de functie van de neusharen
Misvatting: Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt
A Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt B Leerlingen draaien koolstofdioxide en zuurstof om. C GOED
Tip: voeg in de uitleg achteraf toe dat er nog meer dingen zijn die in de uitgeademde lucht zitten (stikstof, waterdamp etc..)
Mivatting: Leerlingen begrijpen niet hoe de cellen / weefsels / orgaanstelsels onderling samenwerken.
D GOED
Origineel ontwikkeld door the University of York Science Education Group and the Salters’ Institute. Download the original from www.BestEvidenceScienceTeaching.org
Misvatting: Leerlingen verwarren lucht en zuurstof. Leerlingen denken dat er lucht wordt opgenomen in het bloed.
A Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar. B GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is en vergeten dat dit in opgeloste vorm in het bloed terecht komt.
A GOED B Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is C Leerlingen denken dat de zuurstof direct aan de hemoglobine wordt gebonden
Misvatting: Leerlingen begrijpen het proces van ventilatie niet goed. Er zijn misvattingen over de hoeveelheid lucht die ververst wordt.
A Leerlingen denken dat alle “oude” lucht eruit gaat en vervangen wordt door “verse” lucht terwijl er een nieuw mengsel ontstaat van oude en verse lucht B GOED C Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar D Leerlingen weten dat zuurstof en koolstofdioxide worden uitgeademd, maar vergeten de andere bestanddelen van lucht
Misvatting: leerlingen halen ventilatie en gaswisseling door elkaar.
A Leerlingen denken dat ventilatie en gaswisseling hetzelfde is B GOED C Leerlingen halen de termen ventilatie en gaswisseling door elkaar
Misvatting: Leerling verwart de beweging van de ribben en het middenrif. Bij uitademing gaan de ribben omlaag maar het middenrif omhoog. Hetzelfde geldt voor het aanspannen van de spieren. Bij de tussenribspieren veroorzaakt aanspannen een beweging omhoog terwijl dit bij het middenrif zorgt voor een beweging omlaag.
A Leerling verwart in- en uitademing. B Leerling heeft door dat middenrif omhoog gaat, maar denkt dat dit komt door een aanspanning C Leerling heeft door dat het middenrif ontspant, maar denkt dat deze dan omlaag gaat. D GOED
Tip: varieer deze ook met inademen.
Misvatting: Leerlingen denken dat zowel de binnenste als buitenste tussenribspieren samentrekken bij inademing en bij uitademing beide ontspannen. In de onderbouw leren ze dat inademen een actief proces is waarbij spieren samentrekken. De binnenste en buitenste tussenribspieren zijn echter antagonisten, de binnenste trekken samen bij uitademing. De buitenste trekken samen bij inademing.
A Leerlingen denken dat alle tussenrib spieren de ribben omhoog trekken (zoals ze in de onderbouw geleerd hebben) B Leerlingen halen binnenste en buitenste ribspieren door elkaar C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Gelijk Misvatting: De meeste energie wordt verbruikt in de lamp, daarom zal daar ook de grootste stroomsterkte lopen. Maar het is een serieschakeling, dus de stroomsterkte is op elk punt gelijk.
A In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik B In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik C Correct D In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik
Misvatting:
A Lampje 1 heeft een grotere weerstand en brandt dus feller. Bij het wisselen van de polen van de batterij verandert er niets aan de weerstand van de lampjes. Lampje 1 brandt dus nog steeds feller.
B De spanning wordt verdeeld over de lampjes op basis van de weerstand van de lampjes. De spanning die een lampje krijgt heeft niet te maken met de volgorde van de lampjes.
C De lampjes zijn verschillend. Door het draaien van de batterij verandert er niets aan de weerstand van de lampjes.
D De spanning en de stroomsterkte zijn niet gegeven, toch kun je met redeneren deze vraag beantwoorden.
Misvatting:
A Je denkt misschien: Weinig weerstand betekent veel stroom. Maar bedenk je dat in een serieschakeling de stroom door elke component gelijk is. De spanning wordt verdeeld.
B Het lampje van 4 Ω brandt het felst. In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijk. De lampjes krijgen dus evenveel stroom. Maar de spanning wordt verdeeld in dezelfde verhouding als de weerstanden. De spanning over het lampje van 4 Ω is dus 2x zo groot. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het grootst.
C De lampjes krijgen wel evenveel stroom (want het is een serieschakeling). Maar de spanning is niet even groot.
D De spanning en de stroomsterkte zijn niet gegeven, toch kun je met redeneren deze vraag beantwoorden.
Misvatting:
A Je denkt waarschijnlijk dat lampje A meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de stroom van + naar – gaat, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
B Je denkt waarschijnlijk dat lampje A meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de stroom van + naar – gaat, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
C Correct. Alles staat in serie dus de stroom heeft maar 1 route om van de bron terug naar de bron te gaan.
D Je denkt waarschijnlijk dat lampje C meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de elektronen van – naar + stromen, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom. De stroom gaat terug naar de bron.
E Je denkt waarschijnlijk dat lampje C meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de elektronen van – naar plus stromen, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
Misvatting:
A Je denkt misschien: Meer lampjes hebben meer stroom nodig. Maar de spanning staat vast. De weerstand wordt groter, dus de stroomsterkte neemt af.
B Correct. Je hebt een vaste spanning en met meer lampjes neemt de weerstand in de schakeling toe
C Je denkt misschien: de stroomsterkte in een serieschakeling is constant. Maar de stroomsterkte in een serieschakeling kan wel veranderen. Alleen is op elk moment de stroomsterkte door elke component. Bijvoorbeeld: Mijn huis is evenveel waard als dat van mijn buurman, maar beide prijzen kunnen wel tegelijkertijd stijgen of dalen.
D Je denkt misschien dat je moet weten hoe groot de stroomsterkte is, maar dat maakt voor deze vraag niet uit
Misvatting:
A Omdat lampje 1 aan de plus-kant van de batterij zit, denk je misschien dat dat lampje de volledige spanning krijgt. Maar de spanning over een component is het verschil in energie van de elektronen vóór en ná die component. De volgorde van de lampjes maakt niet uit.
B De spanning in een serieschakeling wordt verdeeld over de componenten: Utot = U1 + U2. Invullen geeft 12 = U1 + 8 en dat geeft U1 = 4 V
C In een serieschakeling wordt de spanning verdeeld, maar niet altijd eerlijk! Hoe het precies verdeeld wordt, hangt af van de weerstand van de componenten. Hier is gegeven dat het ene lampje 8 (V) krijgt, en omdat er in totaal 12 V beschikbaar is, is er nog 4 V over voor het tweede lampje.
DJe gebruikt de formule al goed, maar je maakt een vergissing bij het ‘naar de andere kant halen’ van 8 V.
Misvatting:
A De regelbare weerstand wordt 3x zo groot, dus je denkt misschien dat de stroomsterkte 3x zo klein wordt. Maar de totale weerstand gaat van 200 Ω naar 400 Ω, dus 2x zo groot.
B Correct De totale weerstand van de schakeling neemt toe van 200 Ω naar 400 Ω. De weerstand wordt dus 2x zo groot. De spanning blijft gelijk, dus de stroomsterkte wordt 2x zo klein (U = I · R). De stroomsterkte is dus 30 mA
C Je denkt misschien: in een serieschakeling blijft de stroomsterkte constant. Maar de regel is: in een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijk. De totale stroomsterkte kan wel toe- of afnemen volgens U = I · R
D Je denkt misschien: de weerstand wordt 2x zo groot, dus de stroomsterkte wordt ook 2x zo groot. Maar in de formule U = I · R blijft de spanning U constant. De weerstand wordt 2x zo groot, dus dan moet de stroomsterkte wel 2x zo klein worden.
E Je denkt misschien: de weerstand wordt 3x zo groot, dus de stroomsterkte wordt ook 3x zo groot. Maar ten eerste wordt de totale weerstand slechts 2x zo groot (van 100 Ω naar 400 Ω. Ten tweede: in de formule U = I · R blijft de spanning U constant. De weerstand wordt 2x zo groot, dus dan moet de stroomsterkte wel 2x zo klein worden.
De totale weerstand van de schakeling is R = U/I = 5/1 = 5 Ω . Het is een serieschakeling, dus de totale weerstand is de som van de losse weerstanden. Dus R1 + R2 = 5 Ω. Dus R2 = 5 – 2 = 3 Ω Misvatting:
A Je denkt misschien dat de verschillende weerstanden in een serieschakeling altijd gelijk moeten zijn. Dat is niet het geval
B Goed antwoord.
C Dit is de weerstand van de totale serieschakeling. Gevraagd is de weerstand van een component. Tip denk er aan welke
D Je hebt misschien gedaan R = U · I. Maar die vergelijking klopt niet, het moet zijn U = I · R
Misvatting:
A Correct. De weerstand in de parallelle schakeling neemt af en bij gelijke spanning wordt de stroomsterkte door de batterij dan groter
B Je denkt misschien dat de weerstand groter wordt met meer lampjes, maar het is een parallelschakeling en daar wordt de weerstand kleiner
C Je denkt misschien: de stroomsterkte in een serieschakeling is constant. Maar de stroomsterkte in een serieschakeling kan wel veranderen.
D Je denkt misschien dat je moet weten hoe groot de spanning van de batterij en de stroomsterktes zijn, maar dat is voor deze vraag niet relevant.
Misvatting:
A Correct. Elke extra weerstand die je parallel schakelt, opent een extra weg voor de stroom. De weerstand wordt dus altijd lager als er een extra tak bijkomt. De weerstand moet dus kleiner zijn dan 10 Ω, en dat is dus antwoord A.
B Je snapt al dat de totale weerstand kleiner moet zijn dan 100 Ω. Maar de totale weerstand moet ook kleiner dan 10 Ω zijn. Want er staat een andere weerstand parallel met die van 10 Ω.
C Je denkt dat de grootste weerstand telt. Maar in een parallelschakeling geldt voor weerstanden (1)/(Rtot) = (1)/(R1) + (1)/(R2). Daaruit volgt dat de totale weerstand kleiner is dan elk van de deelweerstanden.
D Je telt de weerstanden bij elkaar op. Dat mag alleen in een serieschakeling, maar dit is een parallelschakeling. Daarvoor geldt: (1)/(Rtot) = (1)/(R1) + (1)/(R2).
Misvatting:
A Beide lampjes zijn als het ware rechtstreeks aangesloten op de batterij en branden dus op dezelfde spanning. Het lampje van 2 Ω heeft de kleinste weerstand. Er loopt door dit lampje de meeste stroom. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het grootst. Het lampje van 2 Ω brandt dus het felst.
B Je denkt waarschijnlijk dat het lampje met de grootste weerstand het felst brandt, maar bedenk dat de spanning over beide lampjes in deze parallelschakeling gelijk zijn. Het lampje van 4 Ω heeft de grootste weerstand en dus de kleinste stroom. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het kleinst.
C Je denkt waarschijnlijk dat doordat de lampjes allebei dezelfde spanning krijgen zij even fel branden, maar beide lampjes zijn niet gelijk en branden dus niet even fel
D Je kunt de lampjes goed met elkaar vergelijken omdat de spanning bij beide lampjes gelijk is
Misvatting:
A Je denkt waarschijnlijk dat door het derde lampje is de totale weerstand toeneemt en 1,5 keer zo groot wordt, maar dat is niet zo. De stroomsterkte wordt niet 1,5 keer kleiner; dus geen 4 A. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
B Je denkt waarschijnlijk dat de totale stroom (6 A) nu wordt verdeeld over drie lampjes in plaats van twee. In een parallelschakeling worden de echter deelstromen opgeteld. Schakel je dus een derde lampje erbij dan komt er een extra stroom bij. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
C Correct. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
Misvatting:
A Je denkt misschien dat de totale stroomsterkte (6 A) nu verdeeld moet worden over drie lampjes. Dan kom je op 2 A uit. Maar in een parallelschakeling staat juist de spanning vast. De spanning die de spanningsbron levert staat vast. Daarmee staat ook de spanning over het lampje vast. Dus kom je uit op 3 A.
B In een parallelschakeling is de spanning over elke component gelijk aan de spanning over de hele parallelschakeling. In dit geval dus 6 V. De lampjes zijn identiek, dus de stroomsterkte door lampje 3 is gelijk aan die door lampje 1 en door lampje 2. Dus 3 A.
C 6 A is de stroomsterkte door de eerste twee lampjes samen.
D Dit is de totale stroomsterkte die de batterij moet gaan leveren. Maar gevraagd is de stroomsterkte door lampje 3.
Misvatting: A Je denkt waarschijnlijk dat met dezelfde componenten de lampjes even fel branden, maar het maakt uit of de weerstanden in serie of parallel staan.
B Je denkt waarschijnlijk dat de weerstand te groot is, maar er loopt stroom door de lampjes, dus ze branden wel.
C De vervangingsweerstand van een parallelschakeling is kleiner dan die van een serieschakeling met dezelfde componenten. Meer weerstand betekend minder stroomsterkte, en dus een minder fel brandende lamp.
D Correct. In schakeling A staat het lampje in serie met drie weerstanden die onderling in serie staan. In schakeling B staat het lampje in serie met drie weerstanden die onderling parallel staan. De vervangingsweerstand van drie parallelle weerstanden is lager dan die van drie weerstanden in serie. De totale weerstand in schakeling B is dus lager. Bij dezelfde spanning is de stroomsterkte in schakeling B groter. Daardoor brandt het lampje feller.
Misvatting:
A In een serieschakeling verdeelt de spanning zich: grotere weerstand is grotere spanning. In deze opgave is de weerstand van lampje 1 groter dan de gecombineerde weerstand van lampje 2 en 3. Dus krijgt lampje 1 een grotere spanning dan lampje 2 en 3.
B Je denkt misschien dat de totale spanning verdeeld moet worden over drie lampjes, dus (12)/(3) = 4 V. maar dit geldt alleen als het een serieschakeling is, en dit is een combinatieschakeling.
C Je hebt misschien gezien dat de totale spanning van 12 V moet worden verdeeld over de twee componenten. Maar dat hoeft niet ‘eerlijk’ te worden verdeeld. Dat is alleen zo als allebei de componenten gelijk zijn. In dit geval is dat niet zo (want de ene is één lampje, de ander zijn twee lampjes parallel).
D Correct. De weerstand van lampje 2 en lampje 3 samen is de helft van die een los lampje 1/Rtot=1/R + 1/R Daarom is de spanning over lampje 2 en 3 de helft van de spanning over lampje 1. Die spanningen verhouden zich dus als 1:2. Omdat de totale spanning 12 V is, kom je uit op 4 V voor lampje 2 en dus 8 V voor lampje 1.
E Dit zou betekenen dat alle spanning over lampje 1 staat. Er is dan geen spanning met over voor lampje 2 en 3. Dat zou betekenen dat er ook geen stroom loopt in de schakeling.
Misvatting: Veel leerlingen denken dat een transformator de spanning niet omhoog kan brengen. Het lijkt dan namelijk dat er meer energie ontstaat. Maar als de spanning stijgt, dan daalt de stroomsterkte, waardoor het vermogen (energie per seconde) gelijk blijft (bij een ideale transformator) of afneemt (bij een realistische transformator)
A Correct. Een transformator kan de spanning omhoog transformeren
B Je denkt waarschijnlijk dat het vermogen omhoog wordt getransformeerd, maar het vermogen is afhankelijk van de spanning en de stroomsterkte en die verandert niet
C Je denkt waarschijnlijk dat het vermogen samen met de spanning omhoog wordt getransformeerd, maar als de spanning omhoog gaat, gaat de stroomsterkte naar beneden
D Je denkt waarschijnlijk dat een transformator de stroomsterkte omhoog kan transformeren
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
VR-3 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Juist, 36 is het grootste kwadraat waar je 72 door kunt delen B: Beide getallen zijn geen kwadraat, dus zo heb je niet vereenvoudigd C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 18 = 3 wortel 2) D: Beide getallen zijn geen kwadraten, dus er is niet vereenvoudigd
VR-4 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Jill heeft gelijk, dus dit antwoord is fout B: Juist, de factor voor de wortel moet zo groot mogelijk zijn en 16 is het grootste kwadraat waar je 32 door kunt delen. C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 8 = 2 wortel 2) D: Onjuist
VR-5 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Gokje, langste zijde is 2 keer zo lang als de korte zijden B: Wel 1 kwadraat gedaan waarschijnlijk, maar als oplossing 2 in plaats van 1, zodat de kwadraten opgeteld 4 zijn C: Juist D: Juist, maar het moest exact en hier is het antwoord afgerond
VR-6 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Wel 3 kwadraat geprobeerd, maar 3×2=6 gedaan in plaats van 3 kwadraat =9, zodat de kwadraten opgeteld 12 zijn B: Zie A, maar wel goed vereenvoudigd. C: Juist, maar moet nog vereenvoudigd worden. D: Juist
VR-7 Misvatting: Eigenschappen van een gelijkzijdige driehoek niet toe kunnen passen
A: Jack heeft gelijk B: Juist (helft gelijkzijdige driehoek, dus PR=2QR) C: PQ als 2 genomen en dan Pythagoras, maar PR is sowieso de langste zijde, dus stelling ook verkeerd toegepast D: PQ als 2 genomen en dan de stelling van Pythagoras juist toegepast om PR te berekenen
VR-8 Misvatting: vorm waarin het antwoord gegeven moet worden (exact + herleiden)
A: Dit is niet exact B: De antwoorden zijn wel exact, maar alleen Jeroen heeft ook juist herleid. C: Juist, het antwoord is exact en de juiste factor is voor het wortelteken gehaald. D: Zie boven, alleen Jeroen heeft het juiste antwoord gegeven
VR-9 Misvatting: Notatie eindantwoord (exact + herleiden) -> er moet dan wel gebruik gemaakt worden van de verhoudingen in de driehoek, want ze weten nog niet wat sin(60) exact is.
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 6wortel3 B: De antwoorden zijn wel exact, maar zijn beide niet juist herleid C: niet exact D: Zie boven, niemand heeft het juiste antwoord gegeven
VR-10 Misvatting: notatie van het eindantwoord (exact, herleiden)
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 3wortel2 B: Juist C: Niet exact D: Zie boven, alleen Tim geeft het juiste antwoord
VR-11 Misvatting: Kiezen van een manier die geen exact antwoord geeft (als de leerlingen nog geen goniometrie hebben gehad)
A: Sinusregel juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord B: SOSCASTOA juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord C: Juist D: Zie boven, alleen Job geeft het juiste antwoord
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
A Juist B Alleen eerste term vermenigvuldigd C Bij de tweede term -1 opgeteld ipv vermenigvuldigd D
GV-21 Misvatting: Fouten bij haakjes uitwerken
A Alleen eerste term uitgewerkt B Opgeteld ipv vermenigvuldigd C Eerste term correct, tweede term opgeteld ipv vermenigvuldigd D Juist
GV-22 Misvatting: Fouten bij haakjes uitwerken
A Juist B In de tweede factor het minteken genegeerd C Niet vereenvoudigd D Opgeteld ipv vermenigvuldigd
GV-23 Misvatting: Fouten bij herleiden
A Niet vereenvoudigd. B (x-1/2)^2 uitgewerkt C (x+1/2)^2 uitgewerkt D Juist.
GV-24 Misvatting: Fouten bij tweeterm kwadrateren
A 2ab vergeten in (a+b)^2 =a^2+2ab+b^2 en – 5*5 gedaan ipv -5*-5 B – 5*5 gedaan ipv -5*-5 C Juist D 2ab vergeten in (a+b)^2 =a^2+2ab+b^2
GV-25 Misvatting: Fouten bij tweeterm kwadrateren
A De 2 voor de x niet meegenomen in de berekening en daarna vooraan toegevoegd. B Juist C (a+b)^2=a^2+b^2 D De 2 voor de x niet meegenomen in de berekening van a^2.
GV-26 Misvatting: Fouten bij merkwaardig product herleiden
A Min-teken genegeerd B Niet vereenvoudigd C Opgeteld ipv vermenigvuldigd D Juist
GV-27 Misvatting: Fouten bij herleiden
A Eerst haakjes uitgewerkt, geen rekening houdend met kwadraat. B Dubbelproduct vergeten. C Dubbelproduct als enkelproduct genomen. D Juist
Misvatting: Leerlingen denken dat zuurstof energie bevat of brandstof is.
A Leerlingen denken dat zuurstof energie bevat / een brandstof is. B Leerlingen verwarren het afbreken van voedingsstoffen door enzymen met verbranding. C GOED
Misvatting: De leerlingen denken dat verbranding alleen in specifieke cellen plaatsvindt en begrijpen niet dat dit in alle cellen plaatsvindt.
A Leerlingen denken dat alleen de hersenen veel verbranden omdat vanuit daar alles geregeld wordt. B Leerlingen denken dat alleen spiercellen zuurstof gebruiken omdat spieren ze weten dat spieren veel energie nodig hebben. C Leerlingen weten dat de longen zuurstof opnemen en denken daarom dat alleen die cellen het gebruiken. D GOED
Tip: in vwo bovenbouw kun je bespreken dat er uitzonderingen zijn zoals rode bloedcellen en hoornvliescellen die (bijna) geen mitochondriën hebben.
Misvatting: Leerlingen verwarren de functies van de celorganellen.
A Leerlingen denken dat de celkern alles regelt en dus ook de verbranding daar plaatsvindt. B Leerlingen verwarren fotosynthese met verbranding. C Leerlingen verwarren de anaërobe dissimilatie met de aërobe. D GOED
Tip: afhankelijk van het niveau kun je variëren met celonderdelen
Misvatting: Leerlingen denken dat planten niet aan verbranding doen. Leerlingen denken dat de fotosynthese de ademhaling bij planten is, en leerlingen denken dat de cellulaire ademhaling of verbranding bij planten alleen in de nacht plaatsvindt.
A Leerlingen denken dat de fotosynthese voor een plant voldoende is om aan energie te komen. B Leerlingen denken dat er alleen verbranding plaatsvindt tijdens fotosynthese, omdat alleen dan glucose wordt gemaakt. C Leerlingen denken dat de verbranding alleen in de nacht plaatsvindt, want dan ademen ze CO uit. D GOED
Misvatting: Leerlingen weten dat planten zuurstof kunnen maken, maar zien niet in dat planten ook zelf zuurstof nodig hebben. Leerlingen denken dat planten altijd koolstofdioxide inademen en zuurstof uitademen. Leerlingen denken dat planten nooit zuurstof hoeven op te nemen omdat ze zelf zuurstof kunnen maken.
A Leerlingen denken dat de plant zuurstof maakt als bijproduct en dit zelf niet nodig heeft. B Leerlingen halen fotosynthese en dissimilatie door elkaar en daarnaast dezelfde fout als bij antwoord C. C Leerlingen denken dat de plant overdag geen zuurstof nodig heeft, want dan is er fotosynthese. D GOED
Tip vervolgvraag: Waar haalt de plant de zuurstof vandaan overdag en ‘s nachts?
Misvatting: Leerlingen hebben meerdere misvattingen rondom temperatuur en verbranding in endo- en exotherme dieren.
A GOED
Tip: Laat leerlingen samen bespreken en opschrijven waarom ze een antwoord kiezen zodat je zicht krijgt op de specifieke misvattingen in jouw klas. Tip: Laat de antwoorden op volgorde zetten van meeste verbranding naar minste verbranding (A – B – D – C).
Let op: licht toe dat de haai en de dolfijn in dit voorbeeld dezelfde grootte en activiteit hebben.
Misvatting: Leerlingen denken dat enzymen verbruikt worden i.p.v. dat ze gebruikt worden.
A Leerlingen denken dat het enzym net als in een chemische reactie wordt omgezet in een andere stof. B Leerlingen verwarren substraat met product. Zie toelichting bij A. C Leerlingen denken dat het enzym wordt verbruikt/kapot gaat door de reactie en maar één keer gebruikt kan worden. D GOED
Misvatting: Leerlingen begrijpen niet goed waardoor enzymactiviteit afwijkt van het optimum bij lagere en hogere temperaturen.
A GOED B Leerlingen kijken naar de y-as, maar weten niet dat de enzymen bij P allemaal nog functioneel zijn en bij Q al een deels gedenatureerd. C Leerlingen zien waarschijnlijk de gedenatureerde enzymen als niet actieve enzymen.
Misvatting: Leerlingen begrijpen niet goed waardoor enzymactiviteit afwijkt van het optimum bij lagere en hogere temperaturen.
A Leerlingen denken dat dat bij een hogere temperatuur de enzymen bruikbaarder worden (door meer beweging). B Leerlingen begrijpen niet dat de hogere temperatuur zorgt voor minder bruikbare enzymen door denaturatie. C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: Leerlingen denken dat moleculen hetzelfde zijn als er evenveel atomen in zitten van dezelfde soort. Er is geen onderscheid tussen coëfficiënt en index cijfer.
A de leerling denkt dat omdat er van alles evenveel atomen zijn, het ook dezelfde stoffen zijn( CH is een andere molecuulformule dan C2H2 en dus een andere stof (stof I kan überhaupt niet bestaan) B de leerling denkt dat omdat er van alles evenveel atomen zijn, het ook dezelfde stoffen zijn C2H2 (ethyn) en C6H6 (benzeen) zijn niet dezelfde stoffen C de leerling denkt dat omdat er van alles evenveel atomen zijn, het ook dezelfde stoffen zijn D GOED Geen van de 3 zijn hetzelfde
Misvatting: leerlingen verwarren elementen met verbindingen.
A leerlingen denken dat een element alleen maar niet ontleed kan worden, maar geen zuivere stof hoeft te zijn. B leerlingen denken dat een element alleen maar zuiver is, maar dat het uit meerdere atomen bestaat. C GOED D zie A en B
misvatting: leerlingen denken dat een mengsel een molecuul si van meerdere atoomsoorten, ze halen element en verbinding door elkaar.
A leerlingen denken dat een mengsel altijd 1 stof wordt(of uit verschillende atomen bestaat), en weten niet dat er diatomische moleculen bestaan. B leerlingen denken dat een mengsel meerdere(verschillende) atomen bestaat. C Leerlingen denken dat in de notatie van een mengsel moet een + teken staan en weten niet dat sommige elementen diatomische moleculen zijn. D GOED
misvatting: leerlingen weten niet wat elementen zijn
A leerlingen denken dat meerdere elementen samen een element vormen. Lucht is een mengsel (alleen de Grieken dachten dat dit één van de vier elementen was) B GOED C leerlingen denken dat de stoffen in lucht niet ontleedbaar zijn. Lucht bevat zowel elementen als verbindingen, maar de elementen zijn niet ontleedbaar. D Leerlingen denken dat Lucht een mengsel is.
Misvatting: Leerlingen halen atomen en moleculen door elkaar
A goed, leerlingen denken dat alle molecuulformules soorten stoffen aangeven B leerlingen denken dat elementen geen stoffen zijn C leerlingen verwarren atomen en moleculen
Misvatting: Leerlingen halen atomen en moleculen door elkaar
A leerlingen denken dat alle weergegeven formules moleculen zijn. B GOED C leerlingen verwarren elementen, atomen en moleculen
Misvatting: Leerlingen halen atomen en moleculen door elkaar
A GOED B leerlingen denken dat H2 en H4 verschillende atoomsoorten zijn C leerlingen denken dat H2, H4, O=O, O en O2 aparte atoomsoorten zijn
leerlingen denken dat een atoomsymbool niet uit een Hoofdletter en eventueel een kleine letter bestaat.
A Leerlingen denken dat alleen de hoofdletter bij het symbool hoort B GOED C Leerlingen vergeten dat de tweede letter van het symbool een kleine letter is D Leerlingen vergeten dat de tweede letter van het symbool een kleine letter is E Goed F Leerlingen denken dat de eerste letters van de naam ook het symbool is.
misvatting: leerlingen kunnen de namen van verbindingen niet goed geven.
A FOUT: leerlingen denken dat de index voor het atoom, het aantal aangeeft voor het atoom staat B Fout: leerlingen denken dat het cijfer ervoor nooit hoeft omdat dat bij mono weggelaten mag worden. C FOUT: leerlingen denken dat het cijfer 2 voor allebei de atomen geldt. D GOED
misvatting: leerlingen weten niet dat het laatste atoom in een molecuul naam de uitgang -ide heeft en/of ze weten niet dat F fluor is
A heeft niet de uitgang – ide B GOED C heeft niet de uitgang -ide EN leerlingen denken dat F voor fosfor staat en weten niet dat F staat voor fluor. D leerlingen denken dat F staat voor fosfor en weten niet dat F staat voor fluor.
misvatting: leerlingen weten niet hoe verschillende (aantallen) atomen in een molecuulformule worden weergegeven.
A leerlingen halen atomen en moleculen door elkaar B leerlingen denken in atoomsoorten C goed
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Deze PowerPoint bevat diagnostische vragen bij het thema bloedsomloop.
Misvatting: Leerlingen denk dat alle slagaders zuurstofrijk zijn en alle aders zuurstofarm
A GOED B Leerlingen zien ader en denken dat deze altijd zuurstof zijn C Leerlingen weten niet dat de aorta een zuurstofrijk bloedvat is
Tip: je kan antwoord C eventueel weglaten Tip: je kan eventueel ook een navelstrengslagader of navelstrengader toevoegen
Misvatting: Leerlingen denk dat alle slagaders zuurstofrijk zijn en alle aders zuurstofarm
A Leerlingen zien slagader en denken dat deze altijd zuurstofrijk zijn B GOED C Leerlingen denken dat de poortader zuurstof rijk is
Tip: je kan antwoord C eventueel weg laten
Misvatting: Leerlingen weten de stroomrichting van het bloed door het hart niet en/of vergeten dat er tussen de harthelften nog een kleine bloedsomloop zit
C GOED
Tip: je kan zelf variaties maken door het onderdeel in de vraag te veranderen
Misvatting: Leerlingen denken dat in haarvaten het bloed langzaam stroomt doordat de haarvaten nauw zijn en de kleine diameter van de haarvaten voor een grotere weerstand zorgt. In werkelijkheid stroomt het bloed langzamer door een groot oppervlak van het haarvatennet.
A Leerlingen denken dat een kleinere diameter voor een grote weerstand zorgt en dus de snelheid remt B GOED C Leerlingen denken dat de gezamenlijke inhoud van slagaders groter is dan van haarvaten D Leerlingen denken dat het verlies aan stroomsnelheid komt door de langere tijd met weerstand
Tip: je kunt deze vraag ook stellen met bloeddruk in de vraag
Misvatting: Leerlingen denken dat hartspierweefsel de benodigde zuurstof krijgt van het bloed dat door de boezems en kamers stroomt.
A Leerlingen passen ten onrechte de regels voor naamgeving van bloedvaten toe op de kransslagader B Leerlingen denken dat de hartspier zuurstof krijgt vanuit het bloed dat zich in de linkerkamer bevindt C Leerlingen denken dat de hartspiercellen zuurstof krijgen vanuit de aorta D GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat de poortader alleen vanuit de darm naar de lever gaat. Leerling is zich niet bewust van het bestaan van een poortadersysteem.
A Leerlingen denken dat alle voedingsstoffen enkel worden opgenomen in de dunne darm en de poortader (daarom) enkel loopt tussen de darm en de lever. B Leerlingen denken dat alle voedingsstoffen enkel worden opgenomen in de dunne darm C Uittesten of leerlingen wel voor dit antwoord gaan. D GOED
Misvatting: Leerlingen kennen het begrip poortader niet goed en kunnen niet beredeneren waar voedingsstoffen het lichaam inkomen
A GOED B Leerlingen beseffen niet dat de lever zelf ook al voedingsstoffen gebruikt en oplsaat C Leerlingen weten dat het bloed hierin uit de onderste helft van het lichaam komt maar realiseren zich niet dat hier voedingsstofrijk bloed gemengd wordt met voedingsstofarm bloed uit de andere organen D Leerlingen denken dat er in de longen voedingsstoffen opgenomen worden
Misvatting: Leerlingen hebben (vanuit de onderbouw) het idee dat er één poortader is vanuit de darmen naar de lever.
A Leerlingen denken dat er alleen vanuit de darmen een poortader naar de lever gaat B Leerlingen denken dat er alleen vanuit de darmen een poortader naar de lever gaat C GOED D Leerlingen denken dat ook vanuit de endeldarm het bloed eerst naar de lever gaat
Tip: pas op met gebruik in de onderbouw, het kan wenselijk zijn het daar simpeler te houden. Indien wel toegepast in onderbouw kun je hem versimpelen door D weg te halen en een optie met alleen de dunne darm toe te voegen.
Misvatting: Leerlingen denken dat de linkerkamer meer bloed wegpompt, omdat deze gespierder is.
A Leerlingen denken deze meer wegpompt omdat deze groter is. B Leerlingen halen de linker- en de rechterkamer door elkaar. C GOED
Misvatting: Leerlingen begrijpen niet dat zuurstof zich ook in het lichaam verplaatst zonder gehecht te zijn aan een rode bloedcel.
A GOED B Leerlingen denken dat bloedcellen per definitie niet buiten de bloedbaan kunnen komen C Leerlingen denken dat weefselvloeistof en bloedplasma hetzelfde zijn D Leerlingen denken dat zuurstof niet zonder rode bloedcellen verplaatst kan worden
Misvatting: Leerlingen denken dat koolstofdioxide alleen door rode bloedcellen of alleen door plasma getransporteerd wordt.
A Leerlingen denken dat koolstofdioxide alleen door plasma wordt getransporteerd B Leerlingen denken dat koolstofdioxide alleen door de rode bloedcellen wordt getransporteerd C GOED D Leerlingen denken dat bloedplaatjes ook een rol hebben bij het transport in de bloedsomloop
Misvatting: Leerlingen halen antistof en antigeen door elkaar
A Leerlingen halen antigeen en antistof door elkaar B GOED C Leerlingen denken dat ziekteverwekkers aan schadelijke stoffen worden herkent
Tip: eventueel uitbreiden met het antwoord: door het HLA systeem
Misvatting: leerlingen denken dat bij bloedtransfusie het volledige bloed wordt gedoneerd waardoor ook de antistoffen in het plasma van de donor een reactie kunnen veroorzaken.
A GOED B Leerlingen denken dat zowel rode als witte bloedcellen geïnjecteerd worden C Leerlingen denken dat alle vaste bestanddelen worden geïnjecteerd D Leerlingen denken dat het volledige bloed wordt geïnjecteerd
Misvatting: leerlingen denken dat bij bloedtransfusie het volledige bloed wordt gedoneerd waardoor ook de antistoffen in het plasma van de donor een reactie kunnen veroorzaken.
A GOED B De leerlingen denken dat het plasma van de ontvanger ook gedoneerd wordt en dus anti-B van de donor in het bloed van de ontvanger komt. Ze vergeten dat de ontvanger anti-A heeft in het plasma. C De leerlingen denken dat het plasma van de ontvangen ook gedoneerd worden en dus de anti-B van de donor in het bloed van de ontvanger komt
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0