GV-1 Misvatting/veel gemaakte fout: het niet of niet volledig toepassen van de rekenregels m.b.t. machten
A: Alleen x tot de macht verheven B: Juist C: 2 vermenigvuldigd met 3 i.p.v. tot de macht 3
Tags: rekenregels voor machten
GV-2 Misvatting/veel gemaakte fout: het niet of niet volledig toepassen van de rekenregels m.b.t. machten:
A: 2 niet tot de macht verheven én bij x de exponenten optellen i.p.v. vermenigvuldigen B: bij x de exponenten optellen i.p.v. vermenigvuldigen C: 2 niet tot de macht verheven D: Juist
misvatting: leerlingen weten niet welke getallen meetellen voor significante cijfers.
A leerlingen denken dat alle 0’en niet meedoen met significante cijfers B GOED C leerlingen denken dat decimalen significante cijfers zijn D leerlingen denken dat alle cijfers significante cijfers zijn
misvatting: leerlingen weten niet welke getallen meetellen voor significante cijfers.
A leerlingen denken dat alle cijfers achter de komma significante cijfers zijn B leerlingen denken dat alle 0’en niet meedoen met significante cijfers C leerlingen denken dat alleen cijfers voor de komma significante cijfers zijn D GOED
Misvatting: leerlingen weten het verschil tussen een meetwaarde en een telwaarde niet
A leerlingen zien over het hoofd dat 1 een telwaarde is en geen meetwaarde B Leerlingen denk dat het standaard 2 significantie cijfers is C GOED D leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A de leerling ziet 0 niet als significant cijfer B de leerling kijkt naar het grootste aantal significante cijfers C de leerling kijkt alleen naar het aantal decimalen voor x10 D GOED
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn B goed C leerling noteert de gevonden waarde in de verkeerde wetenschappelijke notatie en verkeerd aantal cijfers. D leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn B goed C leerlingen geven antwoord in het grootste aantal significante cijfers van de gebruikte meetwaarden D leerlingen kijken naar het aantal nullen in de meetwaarden en tellen die op
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een gemiddelde berekening en optellen
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer kan zijn of ziet de 3 als meetwaarde B leerlingen passen alleen de regels voor vermenigvuldigen en delen toe en kappen het antwoord af. C leerlingen passen alleen de regels voor vermenigvuldigen en delen toe D GOED
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen van het antwoord van een berekening
A leerlingen denken dat een 0 geen significant cijfer is B De leerlingen denken dat de nullen achter de komma niet meetellen C GOED D leerlingen denken dat het aantal cijfers na de komma gelijk is aan het aantal significante cijfers
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een pH bepaling
A goed, aantal decimalen is de significantie B De leerling denkt dat de 0 voor de 7 niet meetelt in bij het aantal decimalen C De leerling heeft bij de berekening geen – log[..] gebruikt maar log [..] D De leerling heeft bij de berekening geen – log[..] gebruikt maar log [..] en ook gaat het fout bij het aantal decimalen
auteur ABS Verplicht invullen:
misvatting: leerlingen weten niet hoe zij het juiste aantal significante cijfers moeten bepalen bij een pH bepaling
A De leerling denkt dat het aantal decimalen goed is (op dezelfde manier dan met het log verhaal). B De leerling heeft niet het juiste aantal significante cijfers C Goed D De leerling heeft niet het aantal juiste aantal cijfers.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: leerlingen verwarren extrinsieke met intrinsieke eigenschappen A GOED B leerlingen denken dat de vorm bij de stof hoort, omdat ze vaak dezelfde vormen bij dezelfde stof zien C GOED D leerlingen verwarren temperatuur met kookpunt
Misvatting: leerlingen denken dat een lage dichtheid betekent dat een stof onderin een meerlagensysteem zit en dat stoffen standaard mengen. A Leerlingen denken dat water en honing mengen, maar honing en water mengen niet bij voorzichtig samenvoegen, er ontstaat een drielagensysteem B Leerlingen denken dat olie en water mengen, maar dat doen ze niet, er ontstaat een drielagensysteem C GOED D De leerling denkt dat de stof met de laagste dichtheid onderin komt, maar hij komt juist bovenin.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ademhaling.
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – borstademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen groter worden, maar koppelen dat niet aan een beweging van de borstkas. D Ze weten dat de ribben eerst moeten bewegen maar niet dat dit door spieren veroorzaakt wordt
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – buikademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen eerst groter worden maar niet dat spieren dit veroorzaken (via de borstkas) D Ze weten dat het middenrif eerst moet bewegen maar niet dat dit een spier is die aanspant.
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen halen hier de functies van de neusharen, neusslijmvlies, slijmproducerende cellen en trilharen door elkaar. Het is bij de trilharen moeilijk voor leerlingen de eigenschappen op mirco niveau te vertalen naar macro. Ze denken vaak dat de onzichtbare trilharen ook dingen vangen net zoals de zichtbare neusharen.
A GOED B Dit is de functie van de slijmproducerende cellen C Dit is de functie van het neusslijmvlies D Dit is de functie van de neusharen
Misvatting: Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt
A Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt B Leerlingen draaien koolstofdioxide en zuurstof om. C GOED
Tip: voeg in de uitleg achteraf toe dat er nog meer dingen zijn die in de uitgeademde lucht zitten (stikstof, waterdamp etc..)
Mivatting: Leerlingen begrijpen niet hoe de cellen / weefsels / orgaanstelsels onderling samenwerken.
D GOED
Origineel ontwikkeld door the University of York Science Education Group and the Salters’ Institute. Download the original from www.BestEvidenceScienceTeaching.org
Misvatting: Leerlingen verwarren lucht en zuurstof. Leerlingen denken dat er lucht wordt opgenomen in het bloed.
A Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar. B GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is en vergeten dat dit in opgeloste vorm in het bloed terecht komt.
A GOED B Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is C Leerlingen denken dat de zuurstof direct aan de hemoglobine wordt gebonden
Misvatting: Leerlingen begrijpen het proces van ventilatie niet goed. Er zijn misvattingen over de hoeveelheid lucht die ververst wordt.
A Leerlingen denken dat alle “oude” lucht eruit gaat en vervangen wordt door “verse” lucht terwijl er een nieuw mengsel ontstaat van oude en verse lucht B GOED C Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar D Leerlingen weten dat zuurstof en koolstofdioxide worden uitgeademd, maar vergeten de andere bestanddelen van lucht
Misvatting: leerlingen halen ventilatie en gaswisseling door elkaar.
A Leerlingen denken dat ventilatie en gaswisseling hetzelfde is B GOED C Leerlingen halen de termen ventilatie en gaswisseling door elkaar
Misvatting: Leerling verwart de beweging van de ribben en het middenrif. Bij uitademing gaan de ribben omlaag maar het middenrif omhoog. Hetzelfde geldt voor het aanspannen van de spieren. Bij de tussenribspieren veroorzaakt aanspannen een beweging omhoog terwijl dit bij het middenrif zorgt voor een beweging omlaag.
A Leerling verwart in- en uitademing. B Leerling heeft door dat middenrif omhoog gaat, maar denkt dat dit komt door een aanspanning C Leerling heeft door dat het middenrif ontspant, maar denkt dat deze dan omlaag gaat. D GOED
Tip: varieer deze ook met inademen.
Misvatting: Leerlingen denken dat zowel de binnenste als buitenste tussenribspieren samentrekken bij inademing en bij uitademing beide ontspannen. In de onderbouw leren ze dat inademen een actief proces is waarbij spieren samentrekken. De binnenste en buitenste tussenribspieren zijn echter antagonisten, de binnenste trekken samen bij uitademing. De buitenste trekken samen bij inademing.
A Leerlingen denken dat alle tussenrib spieren de ribben omhoog trekken (zoals ze in de onderbouw geleerd hebben) B Leerlingen halen binnenste en buitenste ribspieren door elkaar C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: De leerlingen verwarren de stroomrichting van de elektronemen met de richting van de stroom I en realiseren zich niet dat I de positieve stroom is. De positieve kernen zitten vast in het metaalrooster, en kunnen dus niet bewegen.
Antwoord A: De richting van e stroom klopt deze is altijd van plus naar min, het is immers een positieve stroom. De elektronen stromen niet van plus naar min want ongelijksoortige lading trekt elkaar aan en gelijksoortige lading stoot elkaar af. B: is correct. De elektronen zijn de deeltjes die bewegen in een schakeling. Deze zijn negatief geladen, en bewegen dus van min naar plus. We zien negatieve lading van min naar plus bewegen. Dat komt op hetzelfde neer als positieve lading van plus naar min. Stroom is de beweging van positieve lading, dus van plus naar min. C: De richting van de stroom klopt niet deze is altijd van plus naar min, het is immers een positieve stroom. De elektronen stromen niet van plus naar min want ongelijksoortige lading trekt elkaar aan en gelijksoortige lading stoot elkaar af. D: De richting van de stroom klopt niet deze is altijd van plus naar min, het is immers een positieve stroom. De elektronen stromen inderdaad van min naar plus Deze zijn negatief geladen, en bewegen dus van min naar plus. Want ongelijksoortige lading trekt elkaar aan en gelijksoortige lading stoot elkaar af.
Misvatting:
A: Correct. Stroomsterkte geeft aan hoeveel elektronen per seconde (eigenlijk lading per seconde) er door een draad stroomt. B: De grootte van de spanning geeft aan hoeveel energie de elektronen dragen. Stel dat de draad een grote weerstand heeft, dan leidt een grote spanning niet meteen tot een grote stroomsterkte. C: De stroomsterkte geeft aan hoeveel elektronen per seconde (eigenlijk lading per seconde) er door een draad stroomt. Lading op zichzelf zegt niets over de verplaatsing van die lading. D: De grote van de geeft aan hoe moeilijk het is voor stroom om ergens doorheen te bewegen. Een grote weerstand geeft juist een kleine stroom.
Misvatting:
A: correct. De formule I=Qt is om te schrijven als Q=I∙t. En het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10−19C. Vergelijk: Een leerling weegt 50 kg. Je hebt 1000 kg aan leerlingen. Dan heb je dus 1000 / 50 = 20 leerlingen. B: Als geldt: I=Qt is dit omgeschreven Q=I∙t. Het omschrijven is hier onjuist gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10−19C dat wordt hier wel goed gedaan. C: De formule I=Qt is om te schrijven als Q=I∙t. Dit wordt hier goed gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10−19C dat wordt hier niet goed gedaan er wordt vermenigvuldigd. D: Als geldt: I=Qt is dit omgeschreven Q=I∙t. Het omschrijven is hier onjuist gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10−19C dat wordt hier ook niet goed gedaan er wordt vermenigvuldigd.
Misvatting:
A: correct. De formule I=Q/t is om te schrijven als Q=I∙t. En het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10^(−19)C. Vergelijk: Een leerling weegt 50 kg. Je hebt 1000 kg aan leerlingen. Dan heb je dus 1000 / 50 = 20 leerlingen. B: Als geldt: I=Q/t is dit omgeschreven Q=I∙t. Het omschrijven is hier onjuist gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10^(−19)C dat wordt hier wel goed gedaan. C: De formule I=Q/t is om te schrijven als Q=I∙t. Dit wordt hier goed gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10^(−19)C dat wordt hier niet goed gedaan er wordt vermenigvuldigd. D: Als geldt: I=Q/t is dit omgeschreven Q=I∙t. Het omschrijven is hier onjuist gedaan. Het aantal elektronen vind je door de totale lading te delen door de lading van één elektron 1,602∙10^(−19)C dat wordt hier niet goed gedaan er wordt vermenigvuldigd.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Gelijk Misvatting: De meeste energie wordt verbruikt in de lamp, daarom zal daar ook de grootste stroomsterkte lopen. Maar het is een serieschakeling, dus de stroomsterkte is op elk punt gelijk.
A In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik B In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik C Correct D In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijik
Misvatting:
A Lampje 1 heeft een grotere weerstand en brandt dus feller. Bij het wisselen van de polen van de batterij verandert er niets aan de weerstand van de lampjes. Lampje 1 brandt dus nog steeds feller.
B De spanning wordt verdeeld over de lampjes op basis van de weerstand van de lampjes. De spanning die een lampje krijgt heeft niet te maken met de volgorde van de lampjes.
C De lampjes zijn verschillend. Door het draaien van de batterij verandert er niets aan de weerstand van de lampjes.
D De spanning en de stroomsterkte zijn niet gegeven, toch kun je met redeneren deze vraag beantwoorden.
Misvatting:
A Je denkt misschien: Weinig weerstand betekent veel stroom. Maar bedenk je dat in een serieschakeling de stroom door elke component gelijk is. De spanning wordt verdeeld.
B Het lampje van 4 Ω brandt het felst. In een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijk. De lampjes krijgen dus evenveel stroom. Maar de spanning wordt verdeeld in dezelfde verhouding als de weerstanden. De spanning over het lampje van 4 Ω is dus 2x zo groot. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het grootst.
C De lampjes krijgen wel evenveel stroom (want het is een serieschakeling). Maar de spanning is niet even groot.
D De spanning en de stroomsterkte zijn niet gegeven, toch kun je met redeneren deze vraag beantwoorden.
Misvatting:
A Je denkt waarschijnlijk dat lampje A meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de stroom van + naar – gaat, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
B Je denkt waarschijnlijk dat lampje A meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de stroom van + naar – gaat, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
C Correct. Alles staat in serie dus de stroom heeft maar 1 route om van de bron terug naar de bron te gaan.
D Je denkt waarschijnlijk dat lampje C meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de elektronen van – naar + stromen, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom. De stroom gaat terug naar de bron.
E Je denkt waarschijnlijk dat lampje C meer stroom krijgt omdat die het dichste bij de batterij zit en de elektronen van – naar plus stromen, maar stroom wordt niet verbruikt. Alles staat in serie en dus is er maar 1 route voor de stroom.
Misvatting:
A Je denkt misschien: Meer lampjes hebben meer stroom nodig. Maar de spanning staat vast. De weerstand wordt groter, dus de stroomsterkte neemt af.
B Correct. Je hebt een vaste spanning en met meer lampjes neemt de weerstand in de schakeling toe
C Je denkt misschien: de stroomsterkte in een serieschakeling is constant. Maar de stroomsterkte in een serieschakeling kan wel veranderen. Alleen is op elk moment de stroomsterkte door elke component. Bijvoorbeeld: Mijn huis is evenveel waard als dat van mijn buurman, maar beide prijzen kunnen wel tegelijkertijd stijgen of dalen.
D Je denkt misschien dat je moet weten hoe groot de stroomsterkte is, maar dat maakt voor deze vraag niet uit
Misvatting:
A Omdat lampje 1 aan de plus-kant van de batterij zit, denk je misschien dat dat lampje de volledige spanning krijgt. Maar de spanning over een component is het verschil in energie van de elektronen vóór en ná die component. De volgorde van de lampjes maakt niet uit.
B De spanning in een serieschakeling wordt verdeeld over de componenten: Utot = U1 + U2. Invullen geeft 12 = U1 + 8 en dat geeft U1 = 4 V
C In een serieschakeling wordt de spanning verdeeld, maar niet altijd eerlijk! Hoe het precies verdeeld wordt, hangt af van de weerstand van de componenten. Hier is gegeven dat het ene lampje 8 (V) krijgt, en omdat er in totaal 12 V beschikbaar is, is er nog 4 V over voor het tweede lampje.
DJe gebruikt de formule al goed, maar je maakt een vergissing bij het ‘naar de andere kant halen’ van 8 V.
Misvatting:
A De regelbare weerstand wordt 3x zo groot, dus je denkt misschien dat de stroomsterkte 3x zo klein wordt. Maar de totale weerstand gaat van 200 Ω naar 400 Ω, dus 2x zo groot.
B Correct De totale weerstand van de schakeling neemt toe van 200 Ω naar 400 Ω. De weerstand wordt dus 2x zo groot. De spanning blijft gelijk, dus de stroomsterkte wordt 2x zo klein (U = I · R). De stroomsterkte is dus 30 mA
C Je denkt misschien: in een serieschakeling blijft de stroomsterkte constant. Maar de regel is: in een serieschakeling is de stroomsterkte door elke component gelijk. De totale stroomsterkte kan wel toe- of afnemen volgens U = I · R
D Je denkt misschien: de weerstand wordt 2x zo groot, dus de stroomsterkte wordt ook 2x zo groot. Maar in de formule U = I · R blijft de spanning U constant. De weerstand wordt 2x zo groot, dus dan moet de stroomsterkte wel 2x zo klein worden.
E Je denkt misschien: de weerstand wordt 3x zo groot, dus de stroomsterkte wordt ook 3x zo groot. Maar ten eerste wordt de totale weerstand slechts 2x zo groot (van 100 Ω naar 400 Ω. Ten tweede: in de formule U = I · R blijft de spanning U constant. De weerstand wordt 2x zo groot, dus dan moet de stroomsterkte wel 2x zo klein worden.
De totale weerstand van de schakeling is R = U/I = 5/1 = 5 Ω . Het is een serieschakeling, dus de totale weerstand is de som van de losse weerstanden. Dus R1 + R2 = 5 Ω. Dus R2 = 5 – 2 = 3 Ω Misvatting:
A Je denkt misschien dat de verschillende weerstanden in een serieschakeling altijd gelijk moeten zijn. Dat is niet het geval
B Goed antwoord.
C Dit is de weerstand van de totale serieschakeling. Gevraagd is de weerstand van een component. Tip denk er aan welke
D Je hebt misschien gedaan R = U · I. Maar die vergelijking klopt niet, het moet zijn U = I · R
Misvatting:
A Correct. De weerstand in de parallelle schakeling neemt af en bij gelijke spanning wordt de stroomsterkte door de batterij dan groter
B Je denkt misschien dat de weerstand groter wordt met meer lampjes, maar het is een parallelschakeling en daar wordt de weerstand kleiner
C Je denkt misschien: de stroomsterkte in een serieschakeling is constant. Maar de stroomsterkte in een serieschakeling kan wel veranderen.
D Je denkt misschien dat je moet weten hoe groot de spanning van de batterij en de stroomsterktes zijn, maar dat is voor deze vraag niet relevant.
Misvatting:
A Correct. Elke extra weerstand die je parallel schakelt, opent een extra weg voor de stroom. De weerstand wordt dus altijd lager als er een extra tak bijkomt. De weerstand moet dus kleiner zijn dan 10 Ω, en dat is dus antwoord A.
B Je snapt al dat de totale weerstand kleiner moet zijn dan 100 Ω. Maar de totale weerstand moet ook kleiner dan 10 Ω zijn. Want er staat een andere weerstand parallel met die van 10 Ω.
C Je denkt dat de grootste weerstand telt. Maar in een parallelschakeling geldt voor weerstanden (1)/(Rtot) = (1)/(R1) + (1)/(R2). Daaruit volgt dat de totale weerstand kleiner is dan elk van de deelweerstanden.
D Je telt de weerstanden bij elkaar op. Dat mag alleen in een serieschakeling, maar dit is een parallelschakeling. Daarvoor geldt: (1)/(Rtot) = (1)/(R1) + (1)/(R2).
Misvatting:
A Beide lampjes zijn als het ware rechtstreeks aangesloten op de batterij en branden dus op dezelfde spanning. Het lampje van 2 Ω heeft de kleinste weerstand. Er loopt door dit lampje de meeste stroom. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het grootst. Het lampje van 2 Ω brandt dus het felst.
B Je denkt waarschijnlijk dat het lampje met de grootste weerstand het felst brandt, maar bedenk dat de spanning over beide lampjes in deze parallelschakeling gelijk zijn. Het lampje van 4 Ω heeft de grootste weerstand en dus de kleinste stroom. Het vermogen P = U · I van die lamp is dus het kleinst.
C Je denkt waarschijnlijk dat doordat de lampjes allebei dezelfde spanning krijgen zij even fel branden, maar beide lampjes zijn niet gelijk en branden dus niet even fel
D Je kunt de lampjes goed met elkaar vergelijken omdat de spanning bij beide lampjes gelijk is
Misvatting:
A Je denkt waarschijnlijk dat door het derde lampje is de totale weerstand toeneemt en 1,5 keer zo groot wordt, maar dat is niet zo. De stroomsterkte wordt niet 1,5 keer kleiner; dus geen 4 A. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
B Je denkt waarschijnlijk dat de totale stroom (6 A) nu wordt verdeeld over drie lampjes in plaats van twee. In een parallelschakeling worden de echter deelstromen opgeteld. Schakel je dus een derde lampje erbij dan komt er een extra stroom bij. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
C Correct. Door elk lampje gaat 3 A ( 6/2 ). Door het derde lampje gaat ook 3 A. De ampèremeter geeft nu 9 A aan.
Misvatting:
A Je denkt misschien dat de totale stroomsterkte (6 A) nu verdeeld moet worden over drie lampjes. Dan kom je op 2 A uit. Maar in een parallelschakeling staat juist de spanning vast. De spanning die de spanningsbron levert staat vast. Daarmee staat ook de spanning over het lampje vast. Dus kom je uit op 3 A.
B In een parallelschakeling is de spanning over elke component gelijk aan de spanning over de hele parallelschakeling. In dit geval dus 6 V. De lampjes zijn identiek, dus de stroomsterkte door lampje 3 is gelijk aan die door lampje 1 en door lampje 2. Dus 3 A.
C 6 A is de stroomsterkte door de eerste twee lampjes samen.
D Dit is de totale stroomsterkte die de batterij moet gaan leveren. Maar gevraagd is de stroomsterkte door lampje 3.
Misvatting: A Je denkt waarschijnlijk dat met dezelfde componenten de lampjes even fel branden, maar het maakt uit of de weerstanden in serie of parallel staan.
B Je denkt waarschijnlijk dat de weerstand te groot is, maar er loopt stroom door de lampjes, dus ze branden wel.
C De vervangingsweerstand van een parallelschakeling is kleiner dan die van een serieschakeling met dezelfde componenten. Meer weerstand betekend minder stroomsterkte, en dus een minder fel brandende lamp.
D Correct. In schakeling A staat het lampje in serie met drie weerstanden die onderling in serie staan. In schakeling B staat het lampje in serie met drie weerstanden die onderling parallel staan. De vervangingsweerstand van drie parallelle weerstanden is lager dan die van drie weerstanden in serie. De totale weerstand in schakeling B is dus lager. Bij dezelfde spanning is de stroomsterkte in schakeling B groter. Daardoor brandt het lampje feller.
Misvatting:
A In een serieschakeling verdeelt de spanning zich: grotere weerstand is grotere spanning. In deze opgave is de weerstand van lampje 1 groter dan de gecombineerde weerstand van lampje 2 en 3. Dus krijgt lampje 1 een grotere spanning dan lampje 2 en 3.
B Je denkt misschien dat de totale spanning verdeeld moet worden over drie lampjes, dus (12)/(3) = 4 V. maar dit geldt alleen als het een serieschakeling is, en dit is een combinatieschakeling.
C Je hebt misschien gezien dat de totale spanning van 12 V moet worden verdeeld over de twee componenten. Maar dat hoeft niet ‘eerlijk’ te worden verdeeld. Dat is alleen zo als allebei de componenten gelijk zijn. In dit geval is dat niet zo (want de ene is één lampje, de ander zijn twee lampjes parallel).
D Correct. De weerstand van lampje 2 en lampje 3 samen is de helft van die een los lampje 1/Rtot=1/R + 1/R Daarom is de spanning over lampje 2 en 3 de helft van de spanning over lampje 1. Die spanningen verhouden zich dus als 1:2. Omdat de totale spanning 12 V is, kom je uit op 4 V voor lampje 2 en dus 8 V voor lampje 1.
E Dit zou betekenen dat alle spanning over lampje 1 staat. Er is dan geen spanning met over voor lampje 2 en 3. Dat zou betekenen dat er ook geen stroom loopt in de schakeling.
Misvatting: Veel leerlingen denken dat een transformator de spanning niet omhoog kan brengen. Het lijkt dan namelijk dat er meer energie ontstaat. Maar als de spanning stijgt, dan daalt de stroomsterkte, waardoor het vermogen (energie per seconde) gelijk blijft (bij een ideale transformator) of afneemt (bij een realistische transformator)
A Correct. Een transformator kan de spanning omhoog transformeren
B Je denkt waarschijnlijk dat het vermogen omhoog wordt getransformeerd, maar het vermogen is afhankelijk van de spanning en de stroomsterkte en die verandert niet
C Je denkt waarschijnlijk dat het vermogen samen met de spanning omhoog wordt getransformeerd, maar als de spanning omhoog gaat, gaat de stroomsterkte naar beneden
D Je denkt waarschijnlijk dat een transformator de stroomsterkte omhoog kan transformeren
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
VF-60 Misvatting: Kenmerken periodiek verband worden door elkaar gehaald
A: Onjuist, amplitude en evenwichtsstand zijn omgedraaid B: Juist C: Onjuist, periode is twee keer zo groot gekozen en de amplitude en evenwichtsstand zijn omgedraaid D: Onjuist, de periode moet 6 zijn, maar de amplitude en evenwichtsstand zijn wel goed.
VF-61 Misvatting: Kenmerken periodiek verband worden door elkaar gehaald
A: Juist B: Onjuist, periode is wel goed, maar amplitude en evenwichtsstand zijn omgedraaid C: Onjuist, halve periode genomen. Amplitude en evenwichtsstand zijn wel goed D: Onjuist, halve periode en amplitude en evenwichtsstand omgedraaid.
VF-62 Misvatting: Kenmerken sinusoïde worden niet op de juiste plaats verwerkt in de formule
A: Onjuist, hierbij hoort een verschuiving met 2 omhoog (translatie (0,2)) B: Juist C: Onjuist, hierdoor zou de periode halveren (grafiek gaat twee keer zo snel) dat hoort bij een vermenigvuldiging ten opzichte van de y-as met 1/2 D: Onjuist, hierdoor zou de periode twee keer zo lang worden. Dat hoort bij een vermenigvuldiging ten opzichte van de y-as met 2
VF-63 Misvatting: Kenmerken sinusoïde worden niet op de juiste plaats verwerkt in de formule
A: Juist B: Onjuist, hierdoor zou de amplitude twee keer zo groot worden, dit hoort bij een vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as met 2 C: Onjuist, hierdoor zou de periode halveren (grafiek twee keer zo snel), dit hoort bij een vermenigvuldiging ten opzichte van de y-as met 1/2 D: Onjuist, dit hoort bij een translatie (2,0)
VF-64 Misvatting: Kenmerken sinusoïde worden niet op de juiste plaats verwerkt in de formule
A: Juist B: Onjuist, hierdoor zou de amplitude twee keer zo groot worden (zoals bij de vorige vraag) C: Onjuist, hierdoor zou de periode halveren (grafiek twee keer zo snel) D: Onjuist, hierdoor zou de periode twee keer zo lang worden.
VF-65 Misvatting: Kenmerken sinusoïde worden niet op de juiste plaats verwerkt in de formule
A: Onjuist, hierdoor zou de evenwichtsstand op 2 komen B: Onjuist, hierdoor zou de amplitude twee keer zo groot worden C: Onjuist, hierdoor zou de periode halveren (grafiek twee keer zo snel) D: Juist, de periode was (2pi)/(1)=2pi en wordt (2pi)/(1/2)=4pi (de grafiek gaat half zo snel)
VF-66 Misvatting: Bij een translatie de verticale translatie verwarren met de horizontale translatie en bij de horizontale translatie links/rechts.
A: Onjuist, hoort bij translatie (3,2) B: Onjuist, hoort bij translatie (-3,2) C: Juist D: Onjuist, hoort bij translatie (-2,3)
VF-67 Misvatting: De getallen in de formule van een sinusoïde worden onjuist geïnterpreteerd
A: Onjuist, de x-coördinaat is goed, maar voor de y-coördinaat is de amplitude er nog bij opgeteld B: Juist, de grafiek is 12 omhoog en 3 naar rechts (!) verschoven dus (3,12) C: Onjuist, de x-coördinaat moet 3 zijn, omdat de grafiek 3 naar rechts is verschoven, de y-coördinaat is hier wel juist D: Onjuist, zie boven
VF-68 Misvatting: De getallen in de formule van een sinusoïde worden onjuist geïnterpreteerd
A: Onjuist, de grafiek is 4 naar links en 10 omhoog geschoven, dus (-4,10) B: Onjuist, de x-coördinaat moet -4 zijn, de y-coördinaat is goed C: Juist, zie boven D: Onjuist, de x-coördinaat is juist, maar bij de y-coördinaat is de amplitude er bij opgeteld
VF-69 Misvatting: Bij een gespiegelde sinusfunctie denken dat de amplitude negatief wordt en vergeten dat de sinusoïde dan dalend door de evenwichtsstand gaat bij het beginpunt
A: Juist B: Onjuist, de grafiek gaat dalend door de evenwichtsstand C: Onjuist, de amplitude is altijd positief, dus in dit geval 3 D: Onjuist, de grafiek gaat dalend door de evenwichtstand en de amplitude is 3
VF-70 Misvatting: Als ‘b’ negatief is, vinden leerlingen het lastig om te bepalen wat dat voor gevolgen heeft voor het beginpunt (d).
A: Onjuist, als b positief is, kijk je waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat om d te bepalen, dus bij b=2 hoort d=3 of d=19 B: Juist, b is positief, dus d kan 3 of 19 zijn C: Onjuist, zie uitleg bij A D: Onjuist, als b negatief is, kijk je waar de grafiek dalend door de evenwichtsstand gaat om d te bepalen. Dus bij b=-2 hoort d= -5 of d=11
VF-71 Misvatting: Als ‘b’ negatief is, vinden leerlingen het lastig om te bepalen wat dat voor gevolgen heeft voor het beginpunt (d)
A: Onjuist, als b positief is, kijk je waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat om d te bepalen, dus bij b=2 geldt d=3 of d=19 B: Onjuist, als b negatief is, kijk je waar de grafiek dalend door de evenwichtsstand gaat om d te bepalen, dus bij b=-2 geldt d=-5 of d=11 C: Juist, als b negatief is kijk je waar de grafiek dalend door de evenwichtsstand gaat om d te bepalen dus bij b=-2 is d=11 een optie D: Onjuist, zie uitleg bij B
VF-72 Misvatting: Rekenmachine op graden in plaats van op radialen
A: Juist, GR in radialen B: Onjuist, GR in graden
VF-73 Misvatting: Rekenmachine op graden in plaats van op radialen
A: Onjuist, GR in graden B: Juist, GR in radialen
VF-74 Misvatting: terugrekenen van de x-coördinaatt die bij het maximum hoort naar de x-coördinaat van het punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat.
A: Onjuist, uitspraak 1 is wel juist, maar uitspraak 2 is ook juist. De grafiek gaat namelijk stijgend door de evenwichtsstand bij 8 en bij 16. B: Juist C: Onjuist, 1 is ook goed D: Onjuist
VF-75 Misvatting: terugrekenen van de x-coördinaat die bij het maximum hoort naar de x-coördinaat van het punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat.
A: Onjuist, uitspraak 1 is wel juist, maar uitspraak 2 is ook juist. De grafiek gaat namelijk stijgend door de evenwichtsstand bij 8 en bij 16. B: Juist C: Onjuist, 1 is ook goed D: Onjuist
VF-76 Misvatting: terugrekenen/verder rekenen vanaf de x-coördinaat die bij het minimum hoort naar de x-coördinaat van het punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat.
A: Juist, op 1-12 is t=5, de periode is 12, dus een kwart periode is 3. 5+’kwartperiode’=5+3=8 geeft d (5-9=-4 is ook goed) B: Onjuist, een kwartperiode voor het minimum gaat de grafiek dalend door de evenwichtsstand C: Onjuist, een halve periode voor het minimum kom je bij het maximum D: Onjuist, een halve periode na het minimum kom je bij het maximum
VF-77 Misvatting: terugrekenen/verder rekenen vanaf de x-coördinaat die bij het minimum hoort naar de x-coördinaatvan het punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat.
A: Onjuist, op 1-8 is t=1, de periode is 12 dus een kwartperiode is 3. 1-3=-2 geeft de x-coördinaat van het punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtsstand gaat. B: Onjuist, een halve periode na het maximum, kom je bij de x-coördinaat van een minimum C: Juist, een kwartperiode voor het maximum (1-3=-2) kom je bij -2 D: Onjuist, een halve periode voor het maximum (1-6=-5) kom je bij de x-coördinaat van een minimum
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
A: juist B: grondtal van logaritme gebruikt als macht C: getal vermenigvuldigen (de 5 rechtstreeks onder de log gebracht) D: het getal voor de x niet tot de macht 5 gedaan
A: coëfficiënten opgeteld ipv vermenigvuldigd en/of kwadraat vergeten B: coëfficiënten opgeteld ipv vermenigvuldigd, wel x gekwadrateerd C: coëfficiënten wel vermenigvuldigd maar kwadraat vergeten D: goed
A: coëfficiënten opgeteld ipv vermenigvuldigd en/of kwadraat vergeten B: coëfficiënten opgeteld ipv vermenigvuldigd, wel x gekwadrateerd C: coëfficiënten wel vermenigvuldigd maar kwadraat vergeten D: goed
GV-37 Misvatting: vanuit een grafiek met gegeven asymptoot geen formule op kunnen stellen
A: Wel juiste asymptoot, maar verkeerd domein B: juist C: Asymptoot verkeerd en domein verkeerd D: Vermenigvuldiging tov x-as genomen ipv y-as
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
G-5 Misvatting: Grafische rekenmachine op radialen gezet
A: Grafische rekenmachine staat op radialen. B: Juist
G-6 Misvatting: Overstaande zijde en aanliggende zijde omgewisseld of vergeten om inverse tan te nemen
A: Overstaand/ aanliggend is juist, maar vergeten inverse tangens te nemen B: Aanliggend/overstaand gedaan en vergeten inverse tangens te nemen C: Aanliggend/overstand gedaan in plaats van andersom, verder goed D: Juist
G-7 Misvatting: Sinus/cosinus/tangens door elkaar gehaald
A: Cosinus gebruikt B: Juist C: Tangens gebruikt
G-8 Misvatting: sinus, cosinus tangens door elkaar gehaald of zijden verwisseld
A: juist (tangens gebruikt) B: Aanliggend/overstaand gedaan in plaats van omgekeerd C: Sinus gebruikt in plaats van tangens D: Cosinus gebruikt in plaats van tangens
G-9 Misvatting: Bij een driehoek waar de rechthoekszijden niet verticaal of horizontaal lopen, de schuine/lange zijde niet meer herkennen als schuine/lange zijde en daardoor de sinus, cosinus en tangens door elkaar halen.
A: Cosinus in plaats van sinus (KL als aanliggende zijde genomen en KJ als schuine zijde) B: Cosinus in plaats van sinus (KJ als aanliggende zijde genomen en KL als schuine zijde) C: Juist, KJ is de overstaande zijde en KL de schuine zijde D: Wel de sinus gebruikt, maar KL als overstaande zijde genomen en KJ als schuine zijde
G-9 Misvatting: Bij een driehoek waar de rechthoekszijden niet verticaal of horizontaal lopen, de schuine/lange zijde niet meer herkennen als schuine/lange zijde en daardoor worden sinus en tangens door elkaar gehaald.
A: Juist B: Tangens in plaats van sinus (KL gezien als aanliggende zijde in plaats van schuine zijde) C: Wel de sinus gebruikt, maar KL als overstaande zijde gebruikt en 5,6 als schuine zijde D: De cosinus gebruikt in plaats van de sinus (KL als aanliggende zijde en JL als schuine zijde)
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
VR-3 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Juist, 36 is het grootste kwadraat waar je 72 door kunt delen B: Beide getallen zijn geen kwadraat, dus zo heb je niet vereenvoudigd C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 18 = 3 wortel 2) D: Beide getallen zijn geen kwadraten, dus er is niet vereenvoudigd
VR-4 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Jill heeft gelijk, dus dit antwoord is fout B: Juist, de factor voor de wortel moet zo groot mogelijk zijn en 16 is het grootste kwadraat waar je 32 door kunt delen. C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 8 = 2 wortel 2) D: Onjuist
VR-5 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Gokje, langste zijde is 2 keer zo lang als de korte zijden B: Wel 1 kwadraat gedaan waarschijnlijk, maar als oplossing 2 in plaats van 1, zodat de kwadraten opgeteld 4 zijn C: Juist D: Juist, maar het moest exact en hier is het antwoord afgerond
VR-6 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Wel 3 kwadraat geprobeerd, maar 3×2=6 gedaan in plaats van 3 kwadraat =9, zodat de kwadraten opgeteld 12 zijn B: Zie A, maar wel goed vereenvoudigd. C: Juist, maar moet nog vereenvoudigd worden. D: Juist
VR-7 Misvatting: Eigenschappen van een gelijkzijdige driehoek niet toe kunnen passen
A: Jack heeft gelijk B: Juist (helft gelijkzijdige driehoek, dus PR=2QR) C: PQ als 2 genomen en dan Pythagoras, maar PR is sowieso de langste zijde, dus stelling ook verkeerd toegepast D: PQ als 2 genomen en dan de stelling van Pythagoras juist toegepast om PR te berekenen
VR-8 Misvatting: vorm waarin het antwoord gegeven moet worden (exact + herleiden)
A: Dit is niet exact B: De antwoorden zijn wel exact, maar alleen Jeroen heeft ook juist herleid. C: Juist, het antwoord is exact en de juiste factor is voor het wortelteken gehaald. D: Zie boven, alleen Jeroen heeft het juiste antwoord gegeven
VR-9 Misvatting: Notatie eindantwoord (exact + herleiden) -> er moet dan wel gebruik gemaakt worden van de verhoudingen in de driehoek, want ze weten nog niet wat sin(60) exact is.
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 6wortel3 B: De antwoorden zijn wel exact, maar zijn beide niet juist herleid C: niet exact D: Zie boven, niemand heeft het juiste antwoord gegeven
VR-10 Misvatting: notatie van het eindantwoord (exact, herleiden)
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 3wortel2 B: Juist C: Niet exact D: Zie boven, alleen Tim geeft het juiste antwoord
VR-11 Misvatting: Kiezen van een manier die geen exact antwoord geeft (als de leerlingen nog geen goniometrie hebben gehad)
A: Sinusregel juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord B: SOSCASTOA juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord C: Juist D: Zie boven, alleen Job geeft het juiste antwoord
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0