Misvatting: je noteert een zuur altijd in losse ionen, ook als het een zwak zuur is
A Leerlingen denken dat dit een sterk zuur is en dit is de juiste notatie van een sterk zuur in losse ionen, maar HCOOH is een zwak zuur B Leerlingen denken dat dit een sterk zuur is maar geven verkeerde losse ionen: geen tweewaardig zuur, CO2 heeft ook iets met zuren te maken, toch? C GOED zwak zuur noteren als moleculaire stof D Leerlingen denken dat er alleen een H afgaat bij een zuur.
Misvatting: je noteert een zuur altijd in losse ionen, ook als het een zwak zuur is
A Leerlingen denken dat CHCOOH een sterk zuur is en dit is de notatie van sterk zuur in losse ionen, maar CHCOOH is een zwak zuur B GOED Leerlingen weten dat het een zwak zuur is en dat dat als moleculaire stof(aq) genoteerd wordt. C Leerlingen denken dat het een vloeibare stof is en geen oplossing. D Leerlingen denken dat er bij een oplossing altijd HO voor de pijl moet staan
Misvatting: je noteert een sterk zuur zoals een zwak zuur
A GOED leerlingen weten dat salpeterzuur een sterk zuur is en dat dit de juiste notatie is B leerlingen denken dat salpeterzuur een zwak zuur is en dat deze notatie geldt C leerlingen denken dat de notatie in losse deeltjes is, maar dat er geen ionladingen genoteerd hoeven worden D leerlingen hebben ‘oplossing’ opgevat als molecuul en water
Misvatting: pH wordt hoger als [H+] stijgt (voorkennis is verschil zwakke /sterke zuren!)
A leerlingen denken dat dit een zuur is en dat is het niet; OF ze denken dat een zoutoplossing geen pH heeft en dus een pH=0 B leerlingen herkennen een sterk zuur: ioniseert volledig leerlingen herkennen een eenwaardig sterk zuur dus [H+] = concentratie oplossing, maar hebben niet gezien dat er ook een tweewaardig sterk zuur bij staat C GOED: tweewaardig sterk zuur: ioniseert volledig dus [H+] > concentratie oplossing D leerlingen zien een driewaardig zwak zuur [H+] < lager dan concentratie oplossing, en ze denken dat het een sterk zuur is, met dus een hele lage pH
Misvatting: pH wordt hoger als [H+] stijgt (voorkennis is verschil zwakke /sterke zuren!)
A GOED pH = 7 leerling weet dat water neutraal is en dat de andere drie zuren zijn en dus een pH lager hebben dan 7 B de leerling herkent een eenwaardig sterk zuur: ioniseert volledig dus [H+] = 0,1 M. Hoe meer H+ = hoger pH? C de leerling herkent een tweewaardig sterk zuur: ioniseert volledig dus [H+] > 0,1 M. Hoe meer H+ = hoger pH? D de leerling herkent een driewaardig zwak zuur [H+] < 0,1M, wordt aangezien voor sterk zuur. Hoe meer H+ = hoger pH?
Misvatting: pH wordt hoger als [H+] stijgt (voorkennis is verschil neutrale /sterke zuren/zwakke/base!)
A leerling denkt dat zoutoplossingen een hoge pH hebben omdat er geen H+ is pH = 7 B GOED leerling herkent dat F- afgesplitst en basisch reageert in water pH>7 C leerling herkent een tweewaardig sterk zuur en pH <7. Hoe meer H+ = hoger pH? D leerling herkent een driewaardig zwak zuur en pH < 7. Hoe meer H+ = hoger pH?
Misvatting: bij evenwichtsbeschouwing uitgaan van reactievergelijking en geen rekening houden met omgeving / milieu
A GOED (evenwicht verschuift naar links bij lage pH, want als de hoeveelheid HO+ groot is (bij lage pH) dan wordt de reactie naar links gestimuleerd B leerlingen denken dat er veel HX2- moet zijn (geweest) zodat er veel HO+ kan ontstaan C leerlingen denken dat als er veel HO+ is, er ook veel HX3- moet zijn en het evenwicht dus rechts ligt D leerlingen denken dat als HX3- een H+ opneemt er juist meer HX3- uit HX2- ontstaat
Misvatting: bij evenwichtsbeschouwing uitgaan van reactievergelijking en geen rekening houden met omgeving / milieu
A leerlingen denken dat als er HO ontstaat er dus ook HX2- ontstaan moet zijn B leerlingen denken dat HX2- H+ afstaat en dat zou juist voor een lagere pH moeten zorgen C GOED, als er veel OH- is, is al het HO+ omgezet naar HO, er wordt dus HO+ weggenomen en het evenwicht verschuift naar rechts en er is dus meer HX3- . (Bij hoge pH wordt het zuur gedeprotoneerd en ontstaat juist de base) D leerlingen denken dat als HX3- een H+ opneemt er juist meer HX3- uit HX2- ontstaat
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: De leerling verwart een lopende golf met een staande golf/De leerling denkt dat een deeltje met de golf meebeweegt.
A De leerling vergist zich in de richting waarin de golf zich voortplant. B Goede antwoord. Stel je voor dat het plaatje eigenlijk een video is die op pauze staat. Als je de video heel even aanzet, zou het hele golfpatroon een klein stukje naar rechts bewegen. De punten A t/m E bewegen niet mee naar rechts, die blijven horizontaal gezien op hun plek. Dan zie je dat punt C naar beneden is bewogen. Het dal dat eerst nog tussen A en C zat is opgeschoven naar rechts, dus zit C in het dal. C is dus naar beneden bewogen. C Bij een transversale golf bewegen de deeltjes alleen loodrecht op de golfbeweging dus van boven naar beneden. De leerling vergist zich met een longitudinale golf. D Bij een transversale golf bewegen de deeltjes alleen loodrecht op de golfbeweging dus van boven naar beneden. De leerling vergist zich met een longitudinale golf.
Misvatting: De leerling verwart een lopende golf met een staande golf/De leerling denkt dat een deeltje met de golf meebeweegt.
A Goede antwoord. Stel je voor dat het plaatje eigenlijk een video is die op pauze staat. Als je de video heel even aanzet, zou het hele golfpatroon een klein stukje naar rechts bewegen. De punten A t/m E bewegen niet mee naar rechts, die blijven horizontaal gezien op hun plek. Dan zie je dat punt A naar boven is bewogen. De berg die eerst nog vóór punt A zat is opgeschoven naar rechts, dus zit A op de berg. A is dus naar boven bewogen. B De leerling vergist zich in de richting waarin de golf zich voortplant. C Bij een transversale golf bewegen de deeltjes alleen loodrecht op de golfbeweging dus van boven naar beneden. De leerling vergist zich met een longitudinale golf. DBij een transversale golf bewegen de deeltjes alleen loodrecht op de golfbeweging dus van boven naar beneden. De leerling vergist zich met een longitudinale golf.
Misvatting: De leerling denkt dat een hogere toon komt door een lagere golflengte en of een lagere frequentie.
A Waarschijnlijk heb je geredeneerd met een bron die bij je vandaan beweegt. B Goede antwoord. Als een brandweerwagen naar je toe komt rijden dan wordt de uitgezonden golf ‘ingedrukt’. De achterkant van een golft komt eerder aan dan bij een stilstaande bron. De golflengte neemt af, de frequentie dus toe. Je hoort dit aan de hogere toonhoogte. C Waarschijnlijk heb je niet door dat golflengte en frequentie omgekeerd evenredig zijn. D Waarschijnlijk heb je niet door dat golflengte en frequentie omgekeerd evenredig zijn.
Misvatting: De leerling denkt dat interferentie niet bij alle golfverschijnselen kan optreden/De leerling denkt dat licht geen golfverschijnsel is maar een deeltje (foton)
A De leerling denkt dat licht geen golfverschijnsel is maar een deeltje (foton) B De leerling heeft niet door dat zowel licht als geluid een golfverschijning zijn. C Goede antwoord. Interferentie is een effect dat optreedt bij golfverschijnselen. Zowel licht als geluid zijn golfverschijnselen. D De leerling heeft geen inzicht in wat interferentie is.
Misvatting: De leerling verwart de tijd-as en plaats-as en heft niet door dat wat op de tijd-as het meest naar links gebeurt in de plaats-as juist helemaal rechts gebeurt. Omdat dat het begin was.
A De leerling verwart de tijd-as en plaats-as en heeft niet door dat wat op de tijd-as het meest naar links gebeurt in de plaats-as juist helemaal rechts gebeurt. Omdat dat het begin was. B Het goede antwoord. Het (u,x)-diagram heeft de gespiegelde vorm van het (u,t)-diagram (om de verticale as). Het touw is op t=0s op een negatieve uitwijking begonnen. Daarna is deze omhoog bewogen en weer naar de evenwichtsstand bewogen. Op het meest recente tijdstip is de uitwijking dus 0, dit is op x=0. C Waarschijnlijk denk je dat dat het (u,t)-diagram om beide assen gespiegeld moet zijn. D Waarschijnlijk denk je dat het (u,t)-diagram om de horizontale as gespiegeld moet zijn.
Misvatting: De leerling vergist zich in de richting van verplaatsing en/of afgebeelde tijd.
A Goede antwoord. Het tijdstip afgebeeld is t=1s. Naar t=-1 s is twee seconden terug en dus ook twee meter terug. B De leerling heeft de tijd 2 seconde vooruit geschoven in plaats van terug. C De leerling heeft niet gelezen dat het huidige tijdstip t=1s is, maar heeft t=0s genomen. D De leerling heeft geen begrip van het voorgelegd probleem.
Misvatting: De leerling vergist zich in de richting van verplaatsing en of afgebeelde tijd.
A De leerling denkt dat beide diagrammen hetzelfde zijn. B Goede antwoord. Het (u,t)-diagram heeft de (rond de verticale as) gespiegelde vorm van het (u,x)-diagram. Op het tijdstip t=1,0 s is de uitwijking gelijk aan 0 (de evenwichtsstand van deze golfvorm). Een seconde eerder was dit de bovenste piek. C De leerling denkt dat de grafiek een seconde terug geschoven. D De leerling denkt dat de grafiek wel gespiegeld rond x=2,0, dit had je moeten doen rond x=1,0m.
Misvatting: De leerling heeft niet door dat hier de relatie 𝑣=𝜆∙𝑓 geldt.
A Je denkt waarschijnlijk dat de golflengte gelijk blijft, terwijl de frequentie verandert. B Goede antwoord. De frequentie van een golf blijft gelijk. Een grotere golfsnelheid resulteert daarom in en grotere golflengte. In dieper water is de golflengte dus groter dan in ondiep water. Antwoord B C Waarschijnlijk denk je dat golflengte en golfsnelheid omgekeerd evenredig zijn. D Waarschijnlijk denk je dat de golflengte geleidelijk afneemt in ondiep water. Deze neemt echter alleen bij de overgang af.
Misvatting: De leerling heeft niet door dat hier de relatie 𝑣=𝜆∙𝑓 geldt.
A Je denkt waarschijnlijk dat de golflengte gelijk blijft, terwijl de frequentie verandert. B Goede antwoord. De frequentie van een golf blijft gelijk. Een grotere golfsnelheid resulteert daarom in en grotere golflengte. In dieper water is de golflengte dus groter dan in ondiep water. Antwoord B C Waarschijnlijk denk je dat golflengte en golfsnelheid omgekeerd evenredig zijn. D Waarschijnlijk denk je dat de golflengte geleidelijk afneemt in ondiep water. Deze neemt echter alleen bij de overgang af.
Misvatting: De leerling denkt dat bij de grondtoon (die hier te zien is) een hele golflengte past. Dit is echter een halve golflengte. Een handige regel is: tussen een knoop en een buik zit een kwart golflengte.
A Waarschijnlijk denk je dat een hele golflengte uit vier buiken bestaat B Waarschijnlijk denk je dat een golflengte uit vijf ‘stukjes’ tussen B en K bestaat. C Goede Antwoord. Er is één buik met twee knopen te zien. Een hele golflengte bestaat uit twee buiken tussen twee knopen aan de uiteinden. D Waarschijnlijk denk je dat bij de grondtoon (die hier te zien is) een hele golflengte past. Dit is echter een halve golflengte.
Misvatting: Waarschijnlijk denk je dat bij de grondtoon (die hier te zien is) een hele golflengte past. Dit is echter een halve golflengte. Een handige regel is: tussen een knoop en een buik zit een kwart golflengte.
A Goede antwoord. Er is één buik met één knoop te zien. Een hele golflengte bestaat uit twee buiken tussen twee knopen aan de uiteinden. Hier is dus een kwart golflengte te zien. B De leerling denkt dat een golflengte uit 5 ‘stukjes’ tussen B en K bestaat. C De leerling denkt dat een golflengte één ‘berg’ en ‘dal’ is. D Waarschijnlijk denk je dat bij de grondtoon (die hier te zien is) een hele golflengte past. Dit is echter een kwart golflengte.
Misvatting: alle punten voeren op hetzelfde moment een zelfde soort beweging uit.
A Omdat de lijn hier nergens een uitwijking heeft denkt de leerling dat alle punten stilstaan. B De leerling denkt dat net als bij n=1 de punten allen dezelfde kant op bewegen. C De leerling denkt dat net als bij n=1 de punten allen dezelfde kant op bewegen. D Goede antwoord. Als punt in het midden omhoog beweegt, dan beweegt een punt tussen de twee linker knopen omlaag. Als een trilling door de evenwichtsstand gaat, is de snelheid maximaal (denk bijvoorbeeld aan een schommel, die gaat het snelst op het laagste punt, en dat is de evenwitchtsstand) Alleen bij de grondtoon bewegen alle punten van de snaar in dezelfde richting.
Misvatting: De leerling denkt dat alleen in de knooppunten de snelheid nul kan zijn
A Goede antwoord. In de uiterste standen keert de bewegingsrichting overal om en is dus overal de snelheid 0. Antwoord A. Als een trilling in de uiterste stand staat, is de snelheid nul (denk bijvoorbeeld aan een schommel, die staat eventjes stil op de uiterste standen) B De leerling denkt dat net als bij n=1 de punten allen dezelfde kant op bewegen. C De leerling denkt dat net als bij n=1 de punten allen dezelfde kant op bewegen. D De leerling heeft niet door dat voor alle punten dit de uiterste uitwijking is in een staande golf en dus in alle punten de snelheid nul is.
Misvatting: De leerling ziet onjuiste verbanden tussen het aantal knopen en buiken en de boventoon waarin deze is.
A Waarschijnlijk denk je dat een hele golflengte overeenkomt met de grondtoon. Een halve golflengte komt overeen met de grondtoon. B Goede antwoord. Er zijn twee buiken. Dit is de op één na grootste golf (1 golflengte). Dit komt overeen met de eerste boventoon. C Waarschijnlijk denk je dat twee buiken overeenkomt met de tweede boventoon. N=2 past echter bij de 1e boventoon. D Mogelijk vergist de leerling zich dat de n=2 de derde boventoon is dus een hoger dan n i.p.v. lager. E De leerling denkt dat 5 knopen en buikten past bij n=5 en dus de 4e boventoon. F De leerling denkt dat 5 knopen en buikten past bij de vijfde boventoon.
Misvatting: De leerling denkt dat het deel tussen twee knopen een golf is.
A De leerling snapt niet hoe je bepaald hoeveel golven zichtbaar zijn. B De leerling snapt niet hoe je bepaald hoeveel golven zichtbaar zijn. C De leerling verteld of verkijkt zich op de golflengte. D Goede Antwoord. Er zijn drie buiken en twee knopen te zien. Dit komt overeen met vier keer een kwart golflengte. Dat is dus één golflengte. E De leerling verteld of verkijkt zich op de golflengte. F De leerling denkt dat de drie delen om de knopen heen een hele en twee keer een kwart golf zijn.
Misvatting: De leerling denkt dat het deel tussen twee knopen een golf is.
A Goede antwoord. Van knoop naar buik is een kwart golf. B De leerling vergist zich met de buis met twee open uiteinden. C De leerling snapt niet hoe je bepaald hoeveel golven zichtbaar zijn. D De leerling denkt dat de grondtoon altijd uit een hele golf bestaat want n=1. E De leerling snapt niet hoe je bepaald hoeveel golven zichtbaar zijn. F De leerling snapt niet hoe je bepaald hoeveel golven zichtbaar zijn.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A De leerling gaat ervan uit dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen. B Goede antwoord. Op x=8,0 m duurt het nog 2 seconden voordat er een uitwijking is. De golf moet er dus nog aankomen. De golf moet wel naar rechts bewegen. C De leerling heeft geen inzicht hoe de twee grafieken informatie over elkaar geven.
Misvatting: De leerling heeft niet door dat het antwoord niet rechtstreeks af te lezen is uit de combinatie van grafieken. De leerling heeft niet in de gaten dat hier gebruik moet worden gemaakt van de relatie 𝑣=𝜆𝑇.
A De leerling heft mogelijk de trillingstijd verkeerd bepaald en heft vergeten de 2s van de 4s af te halen. B De leerling heeft mogelijk de trillingstijd verkeerd bepaald en heft vergeten de 2s van de 4s af te halen en gedeeld door de golflengte 4 m. C Goede Antwoord. 𝑣=𝜆𝑇. De golflengte is 4,0 m. De trillingstijd is 4-2=2,0 s De golfsnelheid is dus 4/2 = 2,0 m/s D De leerling heeft de golflengte verward met de golfsnelheid.
Misvatting: De leerling heeft niet door dat het antwoord niet rechtstreeks af te lezen is uit de combinatie van grafieken. De leerling heeft niet in de gaten dat hier gebruik moet worden gemaakt van de relatie 𝑣=𝜆/𝑇.
A De leerling heft mogelijk de trillingstijd verkeerd bepaald en heft vergeten de 2s van de 4s af te halen. B De leerling heeft mogelijk de trillingstijd verkeerd bepaald en heft vergeten de 2s van de 4s af te halen en gedeeld door de golflengte 4 m. C Goede Antwoord. 𝑣=𝜆/𝑇. De golflengte is 4,0 m. De trillingstijd is 4-2=2,0 s De golfsnelheid is dus 4/2 = 2,0 m/s D De leerling heeft de golflengte verward met de golfsnelheid.
Misvatting: De leerling heeft niet door dat het antwoord niet rechtstreeks af te lezen is uit de combinatie van grafieken.
A Waarschijnlijk bent je ervan uitgegaan dat een golf bij x=0 moet beginnen. B Goede antwoord. Met een snelheid van 2,0 m/s legt de voorkant van de golf de afstand van 4,0 m af in t = s/v = 4,0 / 2,0 = 2,0 s. De voorkant van de golf is dus 2,0 seconde eerder het punt x=0 m gepasseerd. Dit komt overeen met Antwoord B. C De leerling heeft niet door dat de golfsnelheid maakt dat de grafiek in ieder geval naar links moet zijn verplaatst. D Waarschijnlijk heb je geredeneerd met een golf die de andere kant op loopt.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A De leerling heeft niet door dat de grafiek gespiegeld moet worden, en vergist zich hierdoor ook naar welke kant de grafiek verschuift. B De leerling heeft niet door dat de grafiek gespiegeld moet worden, maar verschuift de grafiek de verkeerde kant 1 cm op. C De leerling heeft de spiegeling goed maar verschuift de grafiek de verkeerde kant 1 cm op. D Goede antwoord. Het (u,x)-diagram is gespiegeld rond de verticale as in vergelijking met het (u,t)-diagram. Op t=0s is de kop van de golf (de linkerkant) al 1,0 cm voorbij (dat is een seconde geleden gebeurd). Op t=0 s moet de kop van de golf dus één centimeter voorbij het punt x=2cm zijn.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A Waarschijnlijk denk je het beide diagrammen gelijk zijn. B Waarschijnlijk denk je dat een golf op t=0m begint. Dat hoeft niet zo te zijn: deze golf begint op een negatieve positie van x. C Goede antwoord. Het (u,x)-diagram is gespiegeld rond de verticale as in vergelijking met het (u,t)-diagram. De kop van de golf doet er 1,0 s over om x=0m te bereiken. Op t=1,0 s moet de kop van de golf dus nog 1,0 m afleggen. Antwoord C dus. D Waarschijnlijk heb je over het hoofd gezien dat de golf niet direct op x=0m is.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. B De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. C Goede antwoord. De golflengte is 10 m. v=50 m/s. f = v/𝜆 = 50/10 = 5,0 Hz D De leerling denkt mogelijk dat de golflengte en de frequentie aan elkaar gelijk moeten zijn E De leerling heeft verkeerdom gedeeld. F De leerling heeft de golflengte vermenigvuldigd met de golfsnelheid.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. B De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. C Goede antwoord. De golflengte is 10 m. v=50 m/s. f = v/𝜆 = 10/50 = 0,5 Hz D De leerling denkt mogelijk dat de golflengte en de frequentie aan elkaar gelijk moeten zijn E De leerling heeft verkeerdom gedeeld. F De leerling heeft de golflengte vermenigvuldigd met de golfsnelheid.
Beide golven kunnen worden opgeteld. Dit komt overeen met diagram D.
Misvatting: De leerling heeft moeite constructieve interferentie.
A De leerling heeft de verplaatsing goed maar heeft niet in de gaten dat de golven constructieve interferentie vertonen. B De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld. C De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld. D Goede antwoord. Beide golven kunnen worden opgeteld nadat ze beide 2cm naar elkaar toe zijn verschoven. E De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld.
Beide golven kunnen worden opgeteld. Dit komt overeen met diagram D.
Misvatting: De leerling heeft moeite de frequentie te bepalen en of heeft niet door dat een golfverschijnsel interferentie vertoont.
A De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. B De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. C Goede antwoord. De golflengte is 10 m. v=50 m/s. f = v/𝜆 = 10/50 = 0,5 Hz D De leerling denkt mogelijk dat de golflengte en de frequentie aan elkaar gelijk moeten zijn E De leerling heeft verkeerdom gedeeld.
Misvatting: De leerling heeft moeite met destructieve interferentie.
A De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld. B De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld. C Goede antwoord. Beide golven kunnen worden opgeteld. Ze heffen elkaar gedeeltelijk op. D De leerling heeft de verplaatsing goed maar weet niet goed hoe de golven moeten worden opgeteld. E De leerling heeft de verplaatsing goed maar heeft niet in de gaten dat de golven interferentie vertonen.
Beide golven kunnen worden opgeteld. Ze heffen elkaar gedeeltelijk op. Dit komt overeen met antwoord D.
Misvatting: De leerling denkt dat de tijd-as ook van links naar rechts moet worden gelezen.
A De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. B De leerling heeft geen idee hoe deze de frequentie moet bepalen. C Goede antwoord. De golflengte is 10 m. v=50 m/s. f = v/𝜆 = 10/50 = 0,5 Hz D De leerling denkt mogelijk dat de golflengte en de frequentie aan elkaar gelijk moeten zijn E De leerling heeft verkeerdom gedeeld.
Misvatting: De leerling verwart de longitudinale golf met de transversal golf.
A het stofje zal mee gaan trillen met de lucht. B Goede antwoord. Geluid is een longitudinale golf. Een stofdeeltjes zal dus trillen in dezelfde richting als de voortplantingsrichting. Horizontaal dus. C Waarschijnlijk redeneer je met een transversale golf. Geluid is atlijd een longitudinale golf. D De golf beweegt weg, maar de deeltjes blijven netto op hun plaats.
Misvatting: De leerling verwart de longitudinale golf met de transversal golf en heeft geen goed idee hoe de frequentie en trillingstijd zich verhouden.
A Het stofje zal mee gaan trillen met de trillende lucht. B Goede antwoord. Geluid is een longitudinale golf. Een stofdeeltjes zal dus trillen in dezelfde richting als de voortplantingsrichting. Horizontaal dus. Dit is nu met een hogere frequentie dan eers. C Waarschijnlijk verwar je amplitude met frequentie. D Waarschijnlijk redeneer je met een longitudinale golf.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
VF-28 Misvatting: het niet goed kunnen koppelen van een plaatje aan de wiskundige woorden, in dit geval dalparabool, snijpunten x-as, negatief/positief minimum/maximum
A: juist B: de top ligt onder de x-as, dus het is een negatief minimum C: het is een dalparabool, dus er is sprake van een minimum D: het is een dalparabool, dus er is sprake van een minimum verder heeft de parabool 2 snijpunten met de x-as dus is het minimum negatief
VF-29 Misvatting: het niet goed kunnen koppelen van een plaatje aan de wiskundige woorden, in dit geval dalparabool, snijpunten x-as, negatief/positief minimum/maximum
A: Het is een bergparabool, dus is er een maximum B: Zie A C: Juist D: De parabool heeft geen snijpunten met de x-as dus de parabool ligt in z’n geheel onder de x-as en heft dus een negatief maximum
VF-30 Misvatting: f(x)= 0 helemaal uitwerken om achter het antwoord te komen
A: b^2-4ac=4^2-4*1*5=-4, D<0 dus geen snijpunten B: Zie A C: juist D: zie A
VF-31 Misvatting: f(x)= 0 helemaal uitwerken om achter het antwoord te komen
A: juist, b^2-4ac=4^2-4*1*2=8, D>0 dus 2 snijpunten B: onjuist, zie A C: onjuist, zie A D: onjuist, zie A
VF-32 Misvatting: ‘groter dan’ teken en ‘kleiner dan’ teken door elkaar halen
A: onjuist; dalparabool, groter dan 4 dus x<-2 of x>2 (‘buitenste stukken’) B: onjuist; zie A C: Juist D: Onjuist zie A
VF-33 Misvatting: ‘groter dan’ teken en ‘kleiner dan’ teken door elkaar halen
A: onjuist; dalparabool, kleiner dan 25 dus -5<x<5 (‘middelste stuk’) B: onjuist; zie A C: onjuist; zie A D: juist zie A
VF-34 Misvatting: min vergeten in de formule –b/2a bij a<0 en de overeenkomst niet zien tussen -1/4 p en –p/4
A: Onjuist, het is –b/2a dus –p/2*-2=p/4 en ook ¼ p (min vergeten) B: Onjuist, zie A C: Onjuist; Alexis heeft het goed, maar Ilias ook D: Juist; zie A
VF-35 Misvatting: min vergeten in de formule –b/2a bij a>0 en de overeenkomst niet zien tussen -1/6 p en –p/6
A: Onjuist, Het is –b/2a, dus –p/2*3=-p/6, dus Lisa heft gelijk, maar Tom heeft ook gelijk want –p/6=-1/6 p B: Juist, zie A C: Onjuist, min vergeten D: Onjuist, min vergeten
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: leerlingen denken dat vanderwaalsbindingen en waterstofbruggen voorkomen in de gasfase.
A GOED B Leerlingen denken dat in de gasfase vanderwaalsbindingen tussen moleculen aanwezig zijn. C Leerlingen denken dat in de gasfase waterstofbruggen tussen moleculen aanwezig zijn. D Leerlingen denken dat waterstof een metaal is.
Misvatting: Leerlingen weten niet goed welke bindingen bij welke soorten stoffen horen.
A Leerlingen denken dat in metalen atoombindingen voorkomen. B Leerlingen denken dat in metalen vanderwaalsbindingen voorkomen. C Leerlingen denken dat in metalen atoombindingen en vanderwaalsbindingen voorkomen. D GOED
Misvatting: leerlingen denken dat de atoombindingen worden verbroken wanneer een moleculaire stof oplost in water. Om gokken te voorkomen staat de optie “dat weet ik nog niet erbij”.
A: Leerlingen denken dat het hele molecuul uit elkaar valt in atomen als een stof oplost. B: GOED. Maar dan wel de molecuulbindingen tussen de sucrosemoleculen. Er worden natuurlijk ook molecuulbindingen tussen sucrosemoleculen en watermoleculen gevormd. C: Leerlingen denken dat bij het oplossen van een moleculaire stof ionbindingen worden verbroken. D: Om metacognitieve vaardigheden te trainen bij leerlingen en het is goed om leerlingen bewust te maken dat zij eigenaar zijn over hun leren en dat het kan en mag dat ze iets nog niet weten. Je hebt er als docent meer aan dat leerlingen dit zeggen dan dat leerlingen gaan gokken. Dit kan ook het goede antwoord zijn als een leerling zegt dat hij niet weet of er ook waterstofbruggen worden verbroken.
Misvatting: leerlingen denken dat alle aanwezige bindingen worden verbroken bij verdampen.
A leerlingen denken dat bij het verdampen van een stof de atoombindingen verbreken en dat losse atomen ontstaan B leerlingen denken dat bij het verdampen alleen vanderwaalsbindingen worden verbroken C GOED D leerlingen denken dat alle mogelijke bindingen worden verbroken en weten niet het verschil tussen intramoleculaire en intermoleculaire bindingen
Misvatting: leerlingen denken dat in een zout metalen voorkomen, dus ook metaalbindingen en: tussen metaalatomen en niet-metaalatomen komen atoombindingen voor.
A Leerlingen denken dat in een zout atoombindingen tussen metaalatomen en niet-metaalatomen voorkomen. B Leerlingen denken dat in een zout metaalbindingen voorkomen. C GOED D Om metacognitieve vaardigheden te trainen bij leerlingen en het is goed om leerlingen bewust te maken dat zij eigenaar zijn over hun leren en dat het kan en mag dat ze iets nog niet weten. Je hebt er als docent meer aan dat leerlingen dit zeggen dan dat leerlingen gaan gokken.
Misvatting: leerlingen denken dat waterstofbruggen ook met andere atomen dan waterstof of apolaire H-atomen gevormd kunnen worden. Let op: meerdere antwoorden mogelijk.
A is juist, B Leerlingen denken dat er tussen N en O een waterstofbrug wordt gevormd, dat is niet zo want “waterstof”brug (beide atomen ook partieel negatief), C juist, D Leerlingen denken dat een waterstofbrug gevormd wordt tussen twee H’s (beide partieel positief geladen), E Leerlingen denken dat een apolaire H (die gebonden is aan C) een waterstofbrug kan vormen. F juist
Misvatting: leerlingen denken dat bij een faseverandering atoombindingen worden verbroken.
A leerlingen denken dat bij een faseverandering atoombindingen worden verbroken. Hier wordt alleen een intermoleculaire binding (de vanderwaalsbinding verbroken) B GOED, hier vindt een chemische reactie plaats, en wordt er dus een atoombinding verbroken C leerlingen denken dat bij een faseverandering atoombindingen worden verbroken. In proces 1 wordt alleen een intermoleculaire binding (de vanderwaalsbinding verbroken). In proces 2 vindt een chemische reactie plaats en worden atoombindingen verbroken. D Leerlingen denken dat bij geen van beide processen een chemische reactie plaatsvindt. In proces 2 vindt wel een chemische reactie plaats.
Misvatting: een dubbele binding zorgt voor een hoog kookpunt.
A Leerlingen denken dat stoffen met kleinere moleculen hogere kookpunten hebben dat stoffen met grotere moleculen. B Leerlingen denken dat een C=C binding zorgt voor een hoger kookpunt. C GOED D leerlingen denken dat er geen verband is tussen molecuulgrootte en sterkte van de vanderwaalsbindingen.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: pH schaal omrekenen van [H+] naar pH bij verdunnen.
A Leerling denkt dat de oplossing de pH van de zure oplossing overneemt en een neutrale oplossing geen invloed heeft. B GOED Van 1 mL pH 1,0 aanvullen naar 100 mL is 100 x verdunnen. Dus de pH gaat van 1 naar 3. C Leerling denkt dat de pH van 7 2 eenheden naar beneden gaat bij het verdunnen. D Leerling denk dat de pH met zo een kleine hoeveelheid niet naar beneden gaat.
Misvatting: Conceptueel begrijpen van relatie tussen Kz en molariteit en pH.
A Leerling denkt dat H3O+ van zwak zuur gelijk is aan concentratie van dat zwakke zuur. = -log(0,1) = 1 B GOED opstellen vergelijking voor Kz en en inzicht dat H3O+ = A- en aanname dat HA= [HA]0 C Leerling denkt dat pH = -log (Kz) D Leerling neemt -log(x^2)
Misvatting: Onjuist inzicht in effect verdunnen op pH
A Onjuist, leerling heeft 100x verdunnen onjuist verwerkt. B Juist, 100 x verdund => [] wordt 1 x 10-2. pH=2,00 C Onjuist, Leerling heeft gedacht dat 1,0 M een pH van 1 geeft D Onjuist, ?
Misvatting: uitrekenen van de pH verschuiving van een buffer.
pH was eerst 8 want Z- = HZ, dus pH=pKz. Je voegt zuur toe, dus de pH gaat naar beneden. Hoeveel? Correct antwoord. 1,0 ml x 10 M = 10,00 mmol H3O+. Z- wordt dan 0,500 – 0,01=0,490 en HZ wordt dan 0,500 + 0,01 = 0,51 1,00 . 10^-8 = (0,501/0,499)*[H3O+] => [H3O+] = 1,00. 10^-8 *(0,49/0,51) = 1,04 . 10^-8 => pH =7,98
A GOED B Leerling draait HZ en Z- om C leerling heeft initieele pH buffer onjuist berekend D zie C
Misvatting: Onjuist beeld van concentraties bij verschillende pH’s
A De leerling heeft geen rekening met verdunning gehouden B GOED, 1000 x verdund dus 3 pH-eenheden lager C De leerling heeft de resulterende concentratie H3O+ niet goed berekend D De leerling heeft het effect van loog op de pH verwaarloosd
Misvatting: Onjuist inzicht in rol verhouding HZ:Z- op pH buffer
A De leerling heeft geen idee? B De leerling heeft de verhouding Z-:HZ omgekeerd C De leerling is uitgegaan van een 1:1 verhouding D GOED, verhouding 1:0,5 => pH= -log Kz/2 = 6,3
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: De bal beweegt niet omhoog of omlaag. Dus de krachten in de verticale richting moeten in evenwicht zijn. De zwaartekracht m · g wijst naar beneden. De verticale component van de normaalkracht moet dus gelijk zijn aan m · g. Er is ook een horizontale component van de normaalkracht. Dus de totale normaalkracht is groter dan alleen de verticale component, en daarmee groter dan m · g
A Dit is waar als de bal op een horizontaal oppervlak ligt. B correct C Zie uitwerking D Zie uitwerking
Misvatting: De bal beweegt niet omhoog of omlaag. Dus de krachten in de verticale richting moeten in evenwicht zijn. De zwaartekracht m · g wijst naar beneden. De verticale component van de spankracht moet dus gelijk zijn aan m · g. Er is ook een horizontale component van de spankracht. Dus de totale spankracht is groter dan alleen de verticale component, en daarmee groter dan m · g
A Dit is waar als de bal op een horizontaal oppervlak ligt. B Correct C Zie uitwerking D Zie uitwerking
Misvatting: De formule voor de gravitatiekracht is FG = G(m1 · m2)/(r^2). De massa blijft gelijk, dat staat in de vraag. De afstand wordt 10x zo klein. Omdat in de noemer r² staat wordt de noemer 100x zo klein. Als de noemer 100x zo klein wordt, dan wordt het getal zelf 100x zo groot.
A Denk eraan dat de massa gelijk blijft. De afstand wordt kleiner, dus de noemer wordt kleiner. Daardoor wordt de kracht juist groter. B Denk eraan dat de massa gelijk blijft. De afstand wordt kleiner, dus de noemer wordt kleiner. Daardoor wordt de kracht juist groter. C De afstand wordt 10x zo klein. Maar let op dat de afstand in het kwadraat staat. De noemer wordt dus 10²⁼¹⁰⁰x zo klein, en daarmee wordt de kracht 100x zo groot. D Correct
Misvatting: De maan draait in een maand rond de aarde. Als hij niet om zijn eigen as zou draaien, dan zou steeds een andere kant van de maan zichtbaar zijn. Als hij in diezelfde maand precies om zijn eigen as draait, dan blijft steeds dezelfde kant naar de aarde gericht.
A De maan draait in ongeveer een maand rond de aarde. In een dag draait de aarde zelf om zijn as. B Correct C De maan draait in ongeveer een maand rond de aarde. Je bent misschien in de war met de draaiing van de aarde om de zon. Die duurt een jaar. D De maan draait in ongeveer een maand rond de aarde. We zien steeds dezelfde kant van de maan naar de aarde wijzen. Daardoor weten we dat de maan wel om zijn as moet draaien
Misvatting: De gravitatiekracht reken je uit met G(m1 · m2)/(r^2). De massa van de aarde is veel groter dan die van de maan. Om op dezelfde gravititiekracht uit te komen, moet de raket dichter bij de maan staan dan bij de aarde.
A Dan is de gravitatiekracht van de aarde nog veel groter dan die van de maan. Want de massa van de aarde is groter én hij staat dichterbij. B Correct C De massa van de aarde is een stuk groter dan die van de maan. Bij gelijke afstand is de kracht van de aarde groter dan die van de maan. D De kracht is afhankelijk van de afstand tussen het ruimteschip en de aarde of maan.
Misvatting: De zwaartekracht van de aarde houdt in principe nooit op. Hoe verder weg je komt, hoe kleiner de kracht. Maar hij wordt nooit echt 0. Je kunt dit ook zien aan de baan van het ruimtevaartuig. Dat beschrijft een cirkelbaan. Als er geen zwaartekracht zou zijn, dan zou hij geen enkele kracht voelen, en dus in een rechte lijn met een constante snelheid bewegen. Er is geen atmosfeer op die hoogte. Ander zou het vaartuig door wrijving afremmen en uiteindelijk weer op aarde terechtkomen.
A Correct B De zwaartekracht van de aarde houdt in principe nooit op. Hoe verder weg je komt, hoe kleiner de kracht. Maar hij wordt nooit echt 0. Je kunt dit ook zien aan de baan van het ruimtevaartuig. Dat beschrijft een cirkelbaan. Als er geen zwaartekracht zou zijn, dan zou hij geen enkele kracht voelen, en dus in een rechte lijn met een constante snelheid bewegen. C Er is nog wel zwaartekracht, ander zou het ruimtevaartuig in een rechte lijn met constante snelheid wegvliegen (1e wet van Newton)
Misvatting: Er werkt maar één echte kracht op de maan: de gravitatiekracht van de aarde. Dus geldt Fres = Fg ( = G(m · M)/(r² ) Aan de andere kant weet je dat de maan een eenparige cirkelbeweging uitoefent. Dus geldt Fres = (m · v^2)/(r)( = Fmpz) Er kan maar één Fres zijn, dus moet gelden Fg = Fmpz
A De gravitatiekracht FG is een nauwkeurigere versie van de zwaartekracht Fz. Zodra je ver (ongeveer 100 km) van het oppervlak van de aarde af komt, moet je FG gebruiken. De maan bevindt zich zeker verder dan 100 km van het aardoppervlak. B Correct C De middelpuntzoekende kracht (Fmpz) is niet een echte kracht die op een voorwerp werkt. Als een voorwerp een eenparige cirkelbeweging beschrijft, dan moet er een kracht op werken (anders zou het voorwerp met een constante snelheid rechtdoor bewegen). Dit kan zijn de gravitatiekracht (FG, maar ook bijvoorbeeld de spankracht Fspan als je een gewicht aan een touwtje laat draaien, of Fw als een auto door de bocht gaat. Deze kracht is altijd naar het midden gericht en heeft een grootte van (m · v^2)/(r). D De middelpuntzoekende kracht (Fmpz) is niet een echte kracht die op een voorwerp werkt. Als een voorwerp een eenparige cirkelbeweging beschrijft, dan moet er een kracht op werken (anders zou het voorwerp met een constante snelheid rechtdoor bewegen). Dit kan zijn de gravitatiekracht (FG, maar ook bijvoorbeeld de spankracht Fspan als je een gewicht aan een touwtje laat draaien, of Fw als een auto door de bocht gaat. Deze kracht is altijd naar het midden gericht en heeft een grootte van (m · v^2)/(r).
Misvatting: Het bol beschrijft een eenparige cirkelbeweging. Dan geldt dat de resulterende kracht wijst naar het middelpunt van de cirkel.
A Je ziet al dat de zwaartekracht op het blok moet worden gecompenseerd. Maar denk eraan dat er gevraagd wordt naar de resulterende kracht, en dat het voorwerp een cirkelbeweging beschrijft. B Hier is de spankracht weergegeven. De spankracht is een van de krachten die op het blok werkt. Maar daarnaast is er ook nog de zwaartekracht. Die twee samen leveren de resulterende kracht. C Hier is de ‘middelpuntvliedende kracht’ weergegeven. Die geeft het idee weer dat een voorwerp ‘naar buiten wordt geslingerd’. Dit is een zogenaamde schijnkracht. Als je kijkt vanuit een waarnemer die stil staat, dan bestaat die kracht niet. D Correct
Misvatting: De straal van de maan is ook kleiner, dit zorgt juist voor vergroting van de valversnelling (want r staat onder de deelstreep in de formule voor gravitatiekracht). De massa van de maan is daarom groter dan 1/6 van de massa van de aarde.
A Waarschijnlijk ben je vergeten dat de straal van de maan ook een rol speelt B Correct C De straal heeft een vergrotend effect, geen verkleinend effect D De maan heeft sowieso een kleinere massa, geen grotere
Misvatting: De straal van de maan is kleiner. Dit zorgt er juist voor dat de valversnelling groter wordt. Alleen de massa speelt dus rol; deze moet kleiner zijn, omdat deze in de teller van de formule voor gravitatiekracht staat.
A De straal van de maan is kleiner. Dit zorgt er juist voor dat de valversnelling groter wordt. B Correct C Het gaat om de aantrekkingskracht van de maan, niet die van de aarde D Het gaat om de aantrekkingskracht van de maan, niet die van de aarde
Misvatting: In de formule voor gravitatiekracht staat de massa van beide voorwerpen/hemellichamen in de teller. Als je deze omdraait komt dezelfde waarde uit deze formule. Dit komt overeen met de derde wet van Newton.
A Waarschijnlijk denk je dat de aarde harde trekt door haar grotere massa B Waarschijnlijk denk je dat op een kleineren massa altijd een kleinere kracht werkt. C Correct
Misvatting: De afstand tot het middelpunt van de planeet is in beide gevallen gelijk. De massa van de planeet ook. De gravitatiekracht is in beide gevallen daarom gelijk
A Zie uitleg B Waarschijnlijk denk je dat de grotere planet een grotere massa moet hebben en daarom een grotere gravitatiekracht uitoefent, of dat de afstand Kleiner is. Het gaat echter om de afstand tot het middelpunt van de planeet. C Correct
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: Leerlingen vinden het moeilijk om het model op het gewenste moment te laten stoppen. Uitwerking: Op het hoogste punt geldt v = 0 (want de raket bewoog recht omhoog). Daarom ligt Antwoord B voor de hand. Maar een model werkt in tijdstappen, en hij zal hoogstwaarschijnlijk nooit precies het punt v = 0 m/s raken. Daarom is Antwoord A goed. Zodra de snelheid negatief wordt (de raket begint dus aan de beweging omlaag) stopt het model
A: Correct B: Het model werkt in tijdstappen. De situatie v=0 wordt hoogstwaarschijnlijk nooit geraakt. C: Nu stopt het model als de hoogte negatief is. Dat wil zeggen: de raket is weer op de grond terechtgekomen. Dat kan een keuze zijn, maar het is niet het hoogste punt D: De programmeertaal die wij gebruiken kent niet ‘max’ E: Nu stopt het model op het moment dat de motor uitgaat. De raket beweegt dan nog een tijdje naar boven. Bovendien is het onhandig: Als je even later wil instellen dat de motor het 70 seonden volhoudt, moet je ook de stopvoorwaarde aanpassen.
Misvatting: Leerlingen vinden het moeilijk om het model op het gewenste moment te laten stoppen. Uitwerking: Op de grond geldt h = 0 (want de raket bewoog recht omhoog). Daarom ligt Antwoord D voor de hand. Maar een model werkt in tijdstappen, en hij zal hoogstwaarschijnlijk nooit precies het punt h = 0 m/s raken. Daarom is Antwoord C goed. Zodra de hoogte negatief wordt (de raket komt dan even ‘onder nul’) stopt het model
A: Nu stopt het model op het hoogste punt, niet op de grond B: Het model werkt in tijdstappen. De situatie v=0 wordt hoogstwaarschijnlijk nooit geraakt. Ook als het wel zou werken zit je alsnog op het hoogste punt in plaats van op de grond C: Correct D: Het model werkt in tijdstappen. De sitatie h = 0 wordt hoogstwaarschijnlijk nooit geraakt. E: Nu stopt het model op het moment dat de motor uitgaat. De raket beweegt dan nog een tijdje naar boven. Bovendien is het onhandig: Als je even later wil instellen dat de motor het 70 seonden volhoudt, moet je ook de stopvoorwaarde aanpassen.
Misvatting: Leerlingen hebben moeite met de tekens van krachten in een model Uitwerking: De zwaartekracht blijft naar beneden werken, de motorkracht valt weg. Dus de regel wordt Fres = -Fz.
A: Nu heeft de zwaartekracht een positief teken. Dat betekent dat de zwaartekracht omhoog werkt B: Correct C: Nu is er helemaal geen Fres meer. De raket beweegt dus met constante snelheid omhoog (1e wet van Newton). De zwaartekracht moet dus worden toegevoegd D: Nu werkt zowel de motorkracht als de zwaartekracht omlaag. De motor is dus niet uit, maar werkt actief naar beneden. Dat is niet de bedoeling.
Misvatting: Leerlingen hebben moeite met de tekens van krachten in een model Uitwerking: Tijdens het vallen werkt de zwaartekracht omlaag (dus negatief) en de wrijvingskracht omhoog (dus positief). C is dus het goede antwoord Let op: v^2 is altijd positief, daarom is de Fw altijd een positief getal!
A: De zwaartekracht werkt nu omhoog (positief) B: De zwaartekracht werkt nu omhoog (positief) C: Correct D: De raket beweegt naar beneden. Dus is de wrijvingskracht omhoog gericht (deze staat altijd tegen de beweging in). De wrijvingskracht moet dus positief zijn in het model.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: Het elektron beweegt, het proton staat (bijna) stil. Dus het lijkt alsof er een kleinere kracht op het proton moet werken. Maar de 3e wet van Newton laat zien dat de twee krachten precies even groot zijn.
A Waarschijnlijk dacht je dat een proton door de grotere massa een grotere aantrekkingskracht ondervindt. Alleen de lading is van belang. B Waarschijnlijk dacht je dat een elektron door de kleinere massa een grotere aantrekkingskracht ondervindt. Alleen de lading is van belang. C Correct. Lading oefenen een kracht uit op elkaar. Dit krachten zijn even groot. Dit volgt ook uit de derde wet van Newton
Een bewegend geladen deeltje in een magneetveld ondervindt een Lorenzkracht. Deze staat loodrecht op de snelheidsrichting. Deze verandert dus alleen de richting. Misvatting: Leerlingen hebben geleerd dat een noord- en zuidpool elkaar aantrekken. Dit is geen direct gevolg van de Lorenzkracht.
A Er is wel sprake van een kracht, maar deze zorgt alleen voor afbuiging, niet voor snelheidsverandering. B Correct C Er is wel sprake van een kracht, maar deze zorgt alleen voor afbuiging, niet voor snelheidsverandering. D De Lorentzkracht heeft wel degelijk effect op de snelheid
Lading II ondervindt van beide ladingen een afstotende kracht. Lading II bevindt zich echter dichterbij lading III. Volgens de wet van Coulomb is de kracht als gevolg van de lading III het grootst. Deze kracht werkt naar links. De nettokracht is dus naar links gericht.
Misvatting: Een leerling ziet de grootte van de krachten over het hoofd.
A Waarschijnlijk denk je dat de grootte van de elektrostatische kracht evenredig is met de afstand tot de lading, óf dat er sprake is van aantrekkende krachten. B Correct. C Waarschijnlijk dacht je dat beide krachten even groot zijn, omdat de lading even groot is. De afstand tot de lading is ook van belang.
Lading II ondervindt van beide ladingen een afstotende kracht. Lading II bevindt zich echter dichterbij lading III. Volgens de wet van Coulomb is deze kracht omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. De afstand is 3 keer zo klein, dus de kracht 3 keer zo groot.
Misvatting: Leerlingen denken dat de grootte van de Coulombkracht omgekeerd evenredig is met de afstand, maar hij is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand.
A Waarschijnlijk heb je de invloed van de afstand over het hoofd gezien B Waarschijnlijk heb je het kwadraat over het hoofd gezien. C Correct. D Waarschijnlijk heb je de afstand verkeerd om verwerkt in je antwoord.
Volgens de formule Fe = f · (q1 · q2)/ r² is de kracht omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. De afstand van de proeflading tot de linker lading is 3 keer zo groot als de afstand tot de rechter lading. Als de ladingen even groot waren, dan zou de kracht van de rechter lading op de proeflading 9 keer zo groot zijn als die van de linker. Om te compenseren moet de linker lading dus 9 keer zo groot zijn als de rechter.
Misconceptie: Dit is een vervolg op de vorige vraag. Een check of de leerlingen doorhebben dat de kracht omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand.
A) Vergeet niet dat de kracht omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand. Dus een 3x zo grote afstand betekent een 9x zo kleine kracht. B) De afstand tot de linker lading is groter. Dat zou de kracht kleiner maken. Maar gegeven is dat de krachten gelijk zijn. Om te compenseren moet de lang dus groter worden, niet kleiner. Daarnaast vergeet je dat de kracht evenredig is met het kwadraat van de afstand C ) Correct. D) De afstand tot de linker lading is groter. Dat zou de kracht kleiner maken. Maar gegeven is dat de krachten gelijk zijn. Om te compenseren moet de lang dus groter worden, niet kleiner.
Misvatting: : Leerlingen denken dat magnetische veldlijnen de richting van de magnetische kracht aangeven. Het werkt echter via de linkerhandregel én deze kracht werkt alleen op bewegende ladingen.
A Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading en in dat geval staat die kracht nooit in de richting van de magneet B Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading en in dat geval staat die kracht nooit in de richting van de magneet C Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading D Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading E Correct. Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading
Het is een aantrekkende kracht. De lading ligt stil, dus het is een elektrostatische kracht. Het voorwerp moet dus negatief geladen zijn. Antwoord D.
Misconcepties: noord-zuid en plus-min worden vaak verward
Een magneet heeft geen effect op een stilstaande lading. Een magneet heeft geen effect op een stilstaande lading. Er is sprake van een aantrekkende kracht. Geen afstotende. Correct. Een magneet heeft geen effect op een stilstaande lading. Een magneet heeft geen effect op een stilstaande lading.
Een bewegende lading ondervindt een Lorentzkracht in een magneetveld. Met de linkerhandregel (stroomsterkte naar links, B-veld naar beneden) is te achterhalen dat de Lorentzkracht het papier uit komt.
Misconcepties: Noord-zuid en plus-min worden vaak verward. Sommige leerlingen denken bijvoorbeeld dat – en zuid elkaar aantrekken. Verder wordt in de regel voor de Lorentzkracht vaak vergeten rekening te houden met de lading van het bewegende deeltje
Je denkt misschien dat negatieve lading door noord wordt aangetrokken. Maar je moet hier de linkerhandregel gebruiken Er werkt wel een kracht op het deeltje, namelijk de Lorentzkracht. De richting bepaal je met de linkerhandregel Je denkt misschien dat negatieve lading door zuid wordt aangetrokken. Maar je moet hier de linkerhandregel gebruiken Correct Leerling maakt een fout in het toepassen van handregel of vergeet rekening te houden met negatieve lading.
Misvatting: Noord en plus zijn synoniemen. Dat is niet zo: Noord en Zuid gaat over magneten, en plus en min over ladingen. Natuurlijk hebben ze wel met elkaar te maken: Een bewegende lading in een magneetveld voelt een kracht. Maar het is zeker niet hetzelfde.
A Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading en in dat geval staat die kracht nooit in de richting van de magneet B Een magneet oefent alleen een kracht uit op een bewegende lading en in dat geval staat die kracht nooit in de richting van de magneet C Stroom bestaat uit bewegende lading; dit heeft niks met noord- of zuidpolen te maken D Correct
Een magneet heeft geen invloed op stilstaande lading.
Misvatting: Noord-zuid en plus-min worden vaak verward.
A Het elektron ligt stil. Er werken geen krachten op. De Lorentzkracht werkt alleen op stromen, dus bewegende ladingen B Het elektron ligt stil. Er werken geen krachten op. De Lorentzkracht werkt alleen op stromen, dus bewegende ladingen C Correct
De Lorentzkracht werkt middelpuntzoekend (naar beneden in de figuur). Als je de linkerhandregel toepast op het elektron dan is af te leiden dat de stroomrichting naar links is, dus de magnetische inductie het papier in gericht is.
Misvatting: Bij de regel voor Lorentzkracht wordt vaak geen rekening gehouden met de lading van het deeltje. Ook denken leerlingen vaak dat de kracht op het elektron in de richting van de beweging is, er wordt vergeten dat bij een cirkelbaan de resulterende kracht naar het middelpunt gericht is.
A Dit is de richting van het elektron B Dit is de richting van de stroom (positieve lading) C Correct D Waarschijnlijk heb je de lading van het elektron verkeerd toegepast (omgekeerde stroomrichting in vergelijking met een positief geladen deeltje) E Dit is de richting van het elektron F Dit is de richting van de elektrische stroom
De positieve kant van een watermolecuul wordt aangetrokken, terwijl de negatieve kant wordt afgestoten. De positieve kant draait zich naar de PVC buis toe en deze wordt aangetrokken.
Misconcepties: Leerlingen hebben moeite om elektrische influentie voor zich te zien
A) De negatieve kant wordt afgestoten, niet aangetrokken. B) De negatieve kant wordt wel afgestoten, maar de positieve kant zal zich naar de PVC buis toe draaien. C) De positieve kant wordt aangetrokken, niet afgestoten. D) Correct
De negatieve kant van een watermolecuul wordt aangetrokken, terwijl de positieve kant wordt afgestoten. De negatieve kant draait zich naar de glazen staaf toe en deze wordt aangetrokken.
Misconcepties: Dit is een controlevraag voor de vorige
A) Correct B) De positieve kant wordt wel afgestoten, maar de negatieve kant zal zich naar de glazen staaf toe draaien. C) De negatieve kant wordt aangetrokken, niet afgestoten. D) De positieve kant wordt afgestoten, niet aangetrokken.
De elektroscoop blijft netto neutraal. De negatieve lading (elektronen) zullen afgestoten worden, naar beneden. Bovenaan blijft positieve lading over.
Misconcepties: Leerlingen vergeten soms dat de totale hoeveelheid lading behouden is. Daardoor vallen A en B al af.
A De elektroscoop blijft netto neutraal. B De elektroscoop blijft netto neutraal. C De negatieve lading beweegt juist naar beneden. D Correct
Door het contact wordt de elektroscoop negatief geladen, deze blijft niet netto neutraal, dus de gehele staaf wordt negatief geladen.
Misconcepties: Door de vorige vraag raken leerlingen op het verkeerde pad. In deze situatie kan er wel netto lading stromen. Hierdoor krijgt de hele elektroscoop een negatieve lading.
A) De negatieve lading beweegt naar de elektroscoop, dus deze wordt netto negatief geladen. B) correct C) De negatieve lading beweegt naar de elektroscoop, dus deze wordt netto negatief geladen. In zijn geheel, dus ook onderaan. D) De negatieve lading beweegt naar de elektroscoop, dus deze wordt netto negatief geladen. In zijn geheel, dus ook onderaan.
De ladingen stoten elkaar af. Volgens de wet van Coulomb: Fe = f(q1 q2)/r² zijn de factoren q1 en q2 uitwisselbaar, dus de beide krachten zijn even groot. Je kunt dit ook ziet met behulp van de 3e wet van Newton.
Misconcepties: Leerlingen denken dat de grotere lading een grotere kracht uitoefent. Het is hier handig om de wet van Coulomb of de 3e wet van Newton te gebruiken. Ook kunnen leerlingen denken dat positieve ladingen elkaar aantrekken.
A Volgens de derde wet van Newton zijn de afstotende krachten een krachtenpaar en zijn ze dus even groot en tegengesteld gericht. B Volgens de derde wet van Newton zijn de afstotende krachten een krachtenpaar en zijn ze dus even groot en tegengesteld gericht. C Correct D De ladingen zijn beiden positief, dus er is een afstotende kracht. E De ladingen zijn beiden positief, dus er is een afstotende kracht. F De ladingen zijn beiden positief, dus er is een afstotende kracht.
De ladingen trekken elkaar aan. Volgens de wet van Coulomb: Fe = f(q1 q2)/r² zijn de factoren q1 en q2 uitwisselbaar, dus de beide krachten zijn even groot.
Misconcepties: Leerlingen denken dat de grotere lading een grotere kracht uitoefent. Het is hier handig om de wet van Coulomb of de 3e wet van Newton te gebruiken. Ook kunnen leerlingen denken dat positieve ladingen elkaar aantrekken.
A De ladingen zijn tegengesteld, dus er is sprake van aantrekkende krachten. B De ladingen zijn tegengesteld, dus er is sprake van aantrekkende krachten. C De ladingen zijn tegengesteld, dus er is sprake van aantrekkende krachten. D Volgens de derde wet van Newton zijn de aantrekkende krachten een krachtenpaar en zijn ze dus even groot en tegengesteld gericht. E Volgens de derde wet van Newton zijn de aantrekkende krachten een krachtenpaar en zijn ze dus even groot en tegengesteld gericht. F Correct
De kracht op beide deeltjes is gelijk, omdat de lading en het E-veld gelijk zijn. Het elektron heeft de kleinste massa, krijgt dus een (veel) grotere versnelling, haalt een (veel) hogere snelheid en is (veel) eerder aan de overkant
Misconcepties: De deeltjes ervaren dezelfde kracht, dus ze zullen ook dezelfde versnelling krijgen. De tweede wet van Newton wordt hier niet goed toegepast.
A Waarschijnlijk dacht je dat op een proton een grotere kracht werkt. B Correct C Waarschijnlijk ben je vergeten dat de massa van het deeltje ook meespeelt. Gebruik de tweede wet van Newton. D Waarschijnlijk heb je niet gezien dat beide deeltjes door het elektrische veld een kracht naar de overkant ervaren.
De massa van een elektron is 1836 keer zo klein, maar het proton krijgt dezelfde energie als het proton. v² moet dus 1836 keer zo groot zijn. velektron is derhalve √(1836) keer zo groot.
Misconceptie: Het is een vervolg op de vorige vraag. Nu moet er worden gerekend. Hier zouden leerlingen kunnen denken dat de energie van een deeltje recht evenredig is met zijn snelheid. Een andere optie is dat leerlingen denken dat het lichtere deeltje een kleinere snelheid krijgt, dus verkeerd om redeneren.
A) Waarschijnlijk ben je het verschil in massa vergeten mee te nemen in je redenering. B) Waarschijnlijk ben je het kwadraat vergeten mee te nemen in je redenering. C) Correct D) Waarschijnlijk heb je de redenering goed gevolgd, maar heb je de factor verkeerd neergezet. E) Waarschijnlijk heb je de redenering goed gevolgd, maar heb je de factor verkeerd neergezet en de verhouding verkeerdom gezet.
De elektrische kracht op beide deeltjes is al in de richting van de plaat waar ze zich bevinden. Ze verplaatsen niet.
Misconcept: Leerlingen raken door onze vragen gewend aan versnellende deeltjes. Er wordt vergeten te kijken welke kant de deeltjes op versnellen.
A Let goed op welke plaat positief en negatief is B Let goed op welke plaat positief en negatief is C Let goed op welke plaat positief en negatief is D Correct
De versnelling is afhankelijk van de massa en de resulterende kracht. De resulterende kracht is afhankelijk van de lading en het E-veld. Het is dus afhankelijk van alle drie.
Misconcepties: Leerlingen worden door deze vraag gedwongen om na te denken over de kracht op een geladen deeltje én de tweede wet van Newton. Het is gemakkelijk een van de grootheden over het hoofd te zien.
Waarschijnlijk denk je dat de versnelling alleen van de kracht af hangt Waarschijnlijk ben je vergeten dat de tweede wet van Newton ook geldt. Waarschijnlijk ben je vergeten dat de wet van Coulomb ook geldt Correct. Misschien dat je nog een verhaal over zwaartekracht wilde vertellen, maar die is verwaarloosbaar.
De lading van het Fe³⁺ is 1,5 keer zo groot, terwijl de massa (ongeveer) gelijk is. De potentiële energie is dus 1,5 keer zo groot. De snelheid is daarmee dus √(1,5) keer zo groot. Je kunt ook redeneren vanuit kracht: De kracht op Fe³⁺ is 1,5 keer zo groot, de massa is (ongeveer) gelijk, dus de versnelling is 1,5 keer zo groot. Dan denk je misschien via 𝑣=𝑎⋅𝑡 dat de eindsnelheid ook 1,5 keer zo groot is. Maar door de hogere snelheid heeft het deeltje ook minder tijd voordat hij aan de overkant is. De redenering met energie is een stuk eenvoudiger.
Misconcepties: Als een leerling uitgaat van kracht, kan hij de bovenstaande foutieve redenering maken. Het punt is dat het snellere deeltje ook minder tijd heeft om te versnellen. De afstand is wel gelijk, dus werken met arbeid (W=𝐹⋅𝑠) is makkelijker.
Waarschijnlijk ben je het verschil in lading vergeten mee te nemen in je redenering. Waarschijnlijk ben je het kwadraat vergeten mee te nemen in je redenering. Of je hebt geredeneerd met de 2e wet van Newton en daarbij (foutief) aangenomen dat de tijd bij beide deeltjes gelijk is. Correct Combinatie van bovenstaande fouten Waarschijnlijk heb je juist geredeneerd, maar de factor aan de verkeerde kant gezet. De lading van het Fe³⁺ is 1,5 keer zo groot, terwijl de massa (ongeveer) gelijk is. De potentiële energie is dus 1,5 keer zo groot. De snelheid is daarmee dus √(1,5) keer zo groot. Je kunt ook redeneren vanuit kracht: De kracht op Fe³⁺ is 1,5 keer zo groot, de massa is (ongeveer) gelijk, dus de versnelling is 1,5 keer zo groot. Dan denk je misschien via 𝑣=𝑎⋅𝑡 dat de eindsnelheid ook 1,5 keer zo groot is. Maar door de hogere snelheid heeft het deeltje ook minder tijd voordat hij aan de overkant is. De redenering met energie is een stuk eenvoudiger.
Misconcepties: Als een leerling uitgaat van kracht, kan hij de bovenstaande foutieve redenering maken. Het punt is dat het snellere deeltje ook minder tijd heeft om te versnellen. De afstand is wel gelijk, dus werken met arbeid (W=𝐹⋅𝑠) is makkelijker.
Waarschijnlijk ben je het verschil in lading vergeten mee te nemen in je redenering. Waarschijnlijk ben je het kwadraat vergeten mee te nemen in je redenering. Of je hebt geredeneerd met de 2e wet van Newton en daarbij (foutief) aangenomen dat de tijd bij beide deeltjes gelijk is. Correct Combinatie van bovenstaande fouten Waarschijnlijk heb je juist geredeneerd, maar de factor aan de verkeerde kant gezet.
Als een deeltje versnelt dan neemt de afgelegde afstand in dezelfde tijd toe. Omdat de wisselspanning in frequentie gelijk blijft, moet de lengte van de buisje toenemen in de richting van het bewegen. Antwoord B dus.
Misconcepties: In principe is de richting van versnellen afhankelijk van de lading. Deze vraag controleert of een leerling begrijpt waarom de buizen in een lineaire versneller steeds langer worden.
Waarschijnlijk verkeerdom geredeneerd. Correct De lading speelt wel een rol in de snelheid, maar niet in de richting. Frequentie en spanning hebben een verband met elkaar, maar niet met de richting. De frequentie blijft gelijk, dus daar hangt het niet vanaf.
De positieve lading q wordt afgestoten door de positieve lading p. Lading q zal daardoor weg van p versnellen. Naarmate de afstand groter wordt, wordt de kracht kleiner en wordt de toename van de snelheid kleiner.
Misconcepties: Het gaat hier om het inzicht dat de elektrische kracht afneemt met de afstand tussen de ladingen. Ook het verband tussen kracht en snelheidsverandering (versnelling) wordt hier gecontroleerd.
A) Er is een afstotende kracht, dus de snelheid neemt wel degelijk toe. B) De afstand wordt groter, de kracht wordt kleiner, dus de versnelling wordt ook kleiner. C) In deze grafiek wordt de versnelling steeds groter. Volgens 𝐹res=𝑚⋅𝑎 zou de resulterende kracht op het deeltje steeds groter worden. Maar we weten dat de elektrische kracht kleiner wordt als de afstand tussen de ladingen toeneemt. D) Correct De positieve lading q wordt afgestoten door de positieve lading p. Lading q zal daardoor weg van p versnellen. Naarmate de afstand groter wordt, wordt de kracht kleiner en wordt de toename van de snelheid kleiner.
Misconcepties: Het gaat hier om het inzicht dat de elektrische kracht afneemt met de afstand tussen de ladingen. Ook het verband tussen kracht en snelheidsverandering (versnelling) wordt hier gecontroleerd.
A) Er is een afstotende kracht, dus de snelheid neemt wel degelijk toe. B) De afstand wordt groter, de kracht wordt kleiner, dus de versnelling wordt ook kleiner. C) In deze grafiek wordt de versnelling steeds groter. Volgens 𝐹_res=𝑚⋅𝑎 zou de resulterende kracht op het deeltje steeds groter worden. Maar we weten dat de elektrische kracht kleiner wordt als de afstand tussen de ladingen toeneemt. D) Correct
De negatieve lading q wordt aangetrokken door de positieve lading p. Lading q zal daardoor richting p versnellen. Naarmate de afstand kleiner wordt, wordt de kracht groter en wordt de toename van de snelheid groter.
Misconcepties: Het gaat hier om het inzicht dat de elektrische kracht toeneemt als de afstand tussen de ladingen afneemt. Ook het verband tussen kracht en snelheidsverandering (versnelling) wordt hier gecontroleerd.
A) Er is een aantrekkende kracht, dus de snelheid neemt wel degelijk toe. B) De afstand wordt kleiner, de kracht wordt groter, dus de toename van de snelheid wordt ook groter. C) Correct D) In deze grafiek wordt de versnelling steeds kleiner. Volgens 𝐹res=𝑚⋅𝑎 zou de resulterende kracht op het deeltje steeds kleiner worden. Maar we weten dat de elektrische kracht groter wordt als de afstand tussen de ladingen afneemt.
De negatieve lading q wordt aangetrokken door de positieve lading p. Lading q zal daardoor richting p versnellen. Naarmate de afstand kleiner wordt, wordt de kracht groter en wordt de toename van de snelheid groter.
Misconcepties: Het gaat hier om het inzicht dat de elektrische kracht toeneemt als de afstand tussen de ladingen afneemt. Ook het verband tussen kracht en snelheidsverandering (versnelling) wordt hier gecontroleerd.
A) Er is een aantrekkende kracht, dus de snelheid neemt wel degelijk toe. B) De afstand wordt kleiner, de kracht wordt groter, dus de toename van de snelheid wordt ook groter. C) Correct D) In deze grafiek wordt de versnelling steeds kleiner. Volgens 𝐹_res=𝑚⋅𝑎 zou de resulterende kracht op het deeltje steeds kleiner worden. Maar we weten dat de elektrische kracht groter wordt als de afstand tussen de ladingen afneemt.
De negatieve lading q wordt aangetrokken door de positieve lading p. Q is al bij de positieve plaat, dus zal niet in beweging komen.
Misconcepties: Leerlingen zijn door onze vragen gewend dat het geladen deeltje in beweging komt. In dit geval blijft het elektron waar hij was.
A) Correct B, C en D) Waarschijnlijk heb je niet gezien dat de negatieve lading al bij de positieve pool is.
De positieve lading q wordt aangetrokken door de negatieve plaat. Het elektrisch veld is homogeen en de lading q blijft gelijk, dus kracht F=E*q blijft dus constant. Dit resulteert in een eenparig versnelde beweging. B
Misconcepties: Door de eerdere vragen over twee geladen deeltjes is het idee gekomen dat de kracht toeneemt als de ladingen dichter bij elkaar komen. Maar in een plaatcondensator is het elektrisch veld, en dus ook de kracht op het geladen deeltje, constant.
A) Waarschijnlijk heb je het teken van de lading niet goed in ogenschouw genomen. B) Correct C) Waarschijnlijk heb je de condensatorplaat als losse lading gezien. In een plaatcondensator neemt het elektrisch veld niet toe. D) Waarschijnlijk heb je de condensatorplaat als losse lading gezien. In een plaatcondensator neemt het elektrisch veld niet toe.
De veldlijnen wijzen van beide ladingen af en niet naar elkaar toe. Beiden zijn dus positief.
Misconcepties: Deze vraag bevat niet een echt misconcept, maar maakt de weg vrij voor de volgende vraag.
Correct De veldlijnen wijzen niet in de richting van de ladingen zelf, maar van de lading af. In dat geval zouden de veldlijnen van de ene lading naar de andere lading lopen. Idem als C
Beide ladingen zijn even groot. In het midden tussen deze ladingen is het veld dus even groot. Omdat ze beide positief zijn veroorzaken deze een even grote en tegengestelde kracht op een ‘proeflading’. In D is het veld dus 0.
Misconcepties: Als er geen veldlijnen getekend zijn, is er geen elektrisch veld (dan zou je dus voor A of E kunnen kiezen).
Het veld van q1 is groter dan van q2, dus er is een netto elektrisch veld (naar boven gericht) De veldlijnen lopen hier dicht op elkaar, dus het E-veld is groot (naar boven gericht) Het veld van q1 is groter dan van q2, dus er is een netto elektrisch veld (naar rechts gericht) Correct Het veld van q1 is groter dan van q2, dus er is een netto elektrisch veld (naar beneden gericht)
Met de rechterhandregel is af te leiden dat het B-veld naar rechts wijst. Rechts is dus een noordpool. Er is een afstotende kracht.
Misconcepties: Dit is meer een hardnekkige fout dan een misconceptie. Grootste obstakel is het inzicht dat de kant van de spoel waar de veldlijnen uitkomen de noordpool is.
A Waarschijnlijk heb je een fout gemaakt met de rechterhandregel voor spoelen. Het magnetisch veld wijst naar rechts, dus is er aan de rechterkant van de spoel een noordpool B Correct C Door de stroom ontstaat een magnetisch veld. Van magnetisme weten we dat gelijke polen elkaar aantrekken en ongelijke polen elkaar aantrekken. Je moet er dus achter komen waar de noord- en zuidpool van de spoel zich bevinden. D Zie uitwerking
Er is een aantrekkende kracht, dus blijkbaar is er aan de rechterkant van de spoel een zuidpool. De veldlijnen lopen dus naar links. Met de rechterhandregel is af te leiden dat de stroom van links naar rechts loopt.
Misconcepties: Bij de rechterhandregel voor spoelen worden vaak vergissingen gemaakt. Men denkt dat de stroomsterkte aangegeven wordt met de duim, de stroom loopt uiteindelijk van links naar rechts. Maar je moet je vingers krullen in de richting van de draaiende stroom. Je duim wijst dan in de richting van het magnetisch veld.
A Correct B Kijk goed of er aan de rechterkant van de spoel een noord- of zuidpool moet ontstaan. Gebruik nu de rechterhandregel voor spoelen om te achterhalen welke kant de stroom op krult. Wat betekent dat voor de richting van de stroomsterkte? C Zie uitwerking
Hier is sprake van influentie. Het weekijzer zal zich tegengesteld gaan gedragen en dus altijd wederom aangetrokken worden.
Misconcepties: Je denkt misschien: het magneetveld van de spoel draait om, dus gaat het van aantrekken naar afstoten. Maar het weekijzer zal altijd ‘meegaan’ in het magnetische veld. Dus doordat het magnetisch veld omdraait, draait het magnetisch veld van het weekijzer ook om, waardoor de spoel en het weekijzer elkaar weer aantrekken.
Je beschouwt het weekijzer als permanente magneet. Correct Je denkt dat je de stroomrichting in de spoel nodig hebt, maar bij influentie is er altijd sprake van aantrekkende kracht.
Met dezelfde stroomrichting lopen de veldlijnen in dezelfde richting. In dat geval is er een aantrekkende kracht.
Misconcepties: De richting van de stroomsterkte is onbekend. Daarom weten we ook niet waar er zuid- of noordpolen zullen ontstaan. Wel weten we dat de richt van de magnetische veldlijnen in elke spoel gelijk is aan elkaar. Daardoor weten we ook dat een noord en zuidpool dicht bij elkaar zijn, en er zal dus een aantrekkende kracht zijn.
A Correct B De richting van het magnetisch veld in beide spoelen is gelijk. Daardoor weten we dat er in het midden een noord-zuid paar ontstaat, óf een zuid-noord paar. In beide gevallen is er sprake van een aantrekkende kracht C Zie uitwerking
De stroom is even groot en de afstand tot de draad is even groot. De richting van het B-veld is voor X en Y tegengesteld (papier in versus papier uit). Antwoord B dus.
Misconcepties: De stroom door beide draden loopt dezelfde kant op. Je zou dus kunnen denken dat het veld in P als gevolg van beide draden gelijk is. Maar het magnetisch veld krult om de draad heen, dat leidt tot een tegengestelde richting.
A Je hebt geen rekening gehouden met de tegengestelde richting. B Correct C Je hebt geen rekening gehouden met de gelijke afstand tot beide draden. D Je hebt geen rekening gehouden met de gelijke afstand tot beide draden.
De stroom is even groot en de afstand tot de draad is even groot. De richting van het B-veld is voor X en Y tegengesteld (papier in versus papier uit). Beide B-velden heffen elkaar op. Antwoord C dus.
Misconcepties: Dit is een vervolg op de vorige vraag. Hier wordt gecontroleerd of leerlingen begrijpen dat tegengestelde magnetische velden elkaar opheffen.
A) Je hebt geen rekening gehouden met de tegengestelde richting. B) Je hebt geen rekening gehouden met het B-veld van Y. C) Correct D) Je hebt geen rekening gehouden met de gelijke afstand tot beide draden.
Met de rechterhandregel is te bepalen dat het B-veld van Y ter hoogte van X uit het papier steekt. Met de linkerhandregels is vervolgens af te leiden dat de Lorentzkracht naar rechts werkt.
Misconcepties: Hier moet een combinatie van handregels worden gebruikt. Eerst om van stroomsterkte naar magneetveld te gaan, en daarna om de richting van de Lorentzkracht te bepalen. Een lastig punt is ook dat je de stroomsterkte door X moet combineren met het magnetisch veld als gevolg van de stroom in Y (of andersom).
A) Correct. B) Je hebt bij één van de handregels een richting omgekeerd C) De stroomsterkte door X bevindt zicht in het magnetisch veld dat de stroomsterke in Y opwekt. Op een stroom in een magnetisch veld werkt de Lorentzkracht. D) Er is genoeg informatie om dit met handregels af te leiden.
Beide krachten zijn reactiekrachten. Volgens de derde wet van Newton zijn deze even groot. Anders gezegd: Beide één is de stroom dubbel zo groot, bij de ander is het externe B-veld 2 keer zo groot. Netto levert dit een kracht van dezelfde grootte op.
Misconcepties: Leerlingen kunnen denken dat de grotere stroom een grotere kracht ervaart, of juist een grotere kracht uitoefent om de andere stroom.
A) Correct. B) Je dacht dat de Lorentzkracht alleen van B af hangt. C) Je dacht dat de Lorentzkracht alleen van I af hangt. D) Je hebt waarschijnlijk de verhoudingen van I en B verkeerd toegepast
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0 39
VR-3 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Juist, 36 is het grootste kwadraat waar je 72 door kunt delen B: Beide getallen zijn geen kwadraat, dus zo heb je niet vereenvoudigd C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 18 = 3 wortel 2) D: Beide getallen zijn geen kwadraten, dus er is niet vereenvoudigd
VR-4 Misvatting: Een wortel niet ver genoeg vereenvoudigen
A: Jill heeft gelijk, dus dit antwoord is fout B: Juist, de factor voor de wortel moet zo groot mogelijk zijn en 16 is het grootste kwadraat waar je 32 door kunt delen. C: Er is wel vereenvoudigd, maar het kan nog verder vereenvoudigd worden (wortel 8 = 2 wortel 2) D: Onjuist
VR-5 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Gokje, langste zijde is 2 keer zo lang als de korte zijden B: Wel 1 kwadraat gedaan waarschijnlijk, maar als oplossing 2 in plaats van 1, zodat de kwadraten opgeteld 4 zijn C: Juist D: Juist, maar het moest exact en hier is het antwoord afgerond
VR-6 Misvatting: Stelling van Pythagoras onjuist uitvoeren
A: Wel 3 kwadraat geprobeerd, maar 3×2=6 gedaan in plaats van 3 kwadraat =9, zodat de kwadraten opgeteld 12 zijn B: Zie A, maar wel goed vereenvoudigd. C: Juist, maar moet nog vereenvoudigd worden. D: Juist
VR-7 Misvatting: Eigenschappen van een gelijkzijdige driehoek niet toe kunnen passen
A: Jack heeft gelijk B: Juist (helft gelijkzijdige driehoek, dus PR=2QR) C: PQ als 2 genomen en dan Pythagoras, maar PR is sowieso de langste zijde, dus stelling ook verkeerd toegepast D: PQ als 2 genomen en dan de stelling van Pythagoras juist toegepast om PR te berekenen
VR-8 Misvatting: vorm waarin het antwoord gegeven moet worden (exact + herleiden)
A: Dit is niet exact B: De antwoorden zijn wel exact, maar alleen Jeroen heeft ook juist herleid. C: Juist, het antwoord is exact en de juiste factor is voor het wortelteken gehaald. D: Zie boven, alleen Jeroen heeft het juiste antwoord gegeven
VR-9 Misvatting: Notatie eindantwoord (exact + herleiden) -> er moet dan wel gebruik gemaakt worden van de verhoudingen in de driehoek, want ze weten nog niet wat sin(60) exact is.
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 6wortel3 B: De antwoorden zijn wel exact, maar zijn beide niet juist herleid C: niet exact D: Zie boven, niemand heeft het juiste antwoord gegeven
VR-10 Misvatting: notatie van het eindantwoord (exact, herleiden)
A: Dit antwoord kan nog herleid worden naar 3wortel2 B: Juist C: Niet exact D: Zie boven, alleen Tim geeft het juiste antwoord
VR-11 Misvatting: Kiezen van een manier die geen exact antwoord geeft (als de leerlingen nog geen goniometrie hebben gehad)
A: Sinusregel juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord B: SOSCASTOA juist toegepast, maar je komt dan niet op een exact antwoord C: Juist D: Zie boven, alleen Job geeft het juiste antwoord
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
A Juist B Alleen eerste term vermenigvuldigd C Bij de tweede term -1 opgeteld ipv vermenigvuldigd D
GV-21 Misvatting: Fouten bij haakjes uitwerken
A Alleen eerste term uitgewerkt B Opgeteld ipv vermenigvuldigd C Eerste term correct, tweede term opgeteld ipv vermenigvuldigd D Juist
GV-22 Misvatting: Fouten bij haakjes uitwerken
A Juist B In de tweede factor het minteken genegeerd C Niet vereenvoudigd D Opgeteld ipv vermenigvuldigd
GV-23 Misvatting: Fouten bij herleiden
A Niet vereenvoudigd. B (x-1/2)^2 uitgewerkt C (x+1/2)^2 uitgewerkt D Juist.
GV-24 Misvatting: Fouten bij tweeterm kwadrateren
A 2ab vergeten in (a+b)^2 =a^2+2ab+b^2 en – 5*5 gedaan ipv -5*-5 B – 5*5 gedaan ipv -5*-5 C Juist D 2ab vergeten in (a+b)^2 =a^2+2ab+b^2
GV-25 Misvatting: Fouten bij tweeterm kwadrateren
A De 2 voor de x niet meegenomen in de berekening en daarna vooraan toegevoegd. B Juist C (a+b)^2=a^2+b^2 D De 2 voor de x niet meegenomen in de berekening van a^2.
GV-26 Misvatting: Fouten bij merkwaardig product herleiden
A Min-teken genegeerd B Niet vereenvoudigd C Opgeteld ipv vermenigvuldigd D Juist
GV-27 Misvatting: Fouten bij herleiden
A Eerst haakjes uitgewerkt, geen rekening houdend met kwadraat. B Dubbelproduct vergeten. C Dubbelproduct als enkelproduct genomen. D Juist