A denken dat b het product is en c de som B wel c als product, maar niet gecontroleerd of b klopt C juist D b wel correct, maar geen rekening gehouden met -*+
GV-18 Misvatting: verschil tussen ontbinden en oplossen, som product methode met negatieve b
A: blijven hangen in de ontbinding, vergeten dat (x-2) leidt tot oplossing x=2… B: Juist C: wel b correct, niet gelet op teken van product en blijven hangen in ontbinding D: wel b correct, maar niet gelet op teken van product
GV-19 Misvatting: som-product methode met negatieve c
A: verkeerde ontbinding: (x+3)(x+2), min voor de 6 over het hoofd gezien B: verkeerde ontbinding: (x-2)(x-3), dan misvatting dat twee negatieve getallen samen positief worden na optelling C: Juist D: ontbinding correct maar niet gezien dat x-1 = 0 leidt tot x=1
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Misvatting: leerlingen verwarren extrinsieke met intrinsieke eigenschappen A GOED B leerlingen denken dat de vorm bij de stof hoort, omdat ze vaak dezelfde vormen bij dezelfde stof zien C GOED D leerlingen verwarren temperatuur met kookpunt
Misvatting: leerlingen denken dat een lage dichtheid betekent dat een stof onderin een meerlagensysteem zit en dat stoffen standaard mengen. A Leerlingen denken dat water en honing mengen, maar honing en water mengen niet bij voorzichtig samenvoegen, er ontstaat een drielagensysteem B Leerlingen denken dat olie en water mengen, maar dat doen ze niet, er ontstaat een drielagensysteem C GOED D De leerling denkt dat de stof met de laagste dichtheid onderin komt, maar hij komt juist bovenin.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ecologie.
Misvatting: Leerlingen verwarren populatie met levensgemeenschap en begrijpen niet wat een soort is. Tot dezelfde soort behoren betekent in de volksmond “van hetzelfde type”. In de biologie betekent het echter dat ze onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Er zijn veel verschillende soorten grassen, vissen en bomen.
A Leerlingen denken dat alle insecten tot dezelfde soort behoren. B Leerlingen denken dat alle grassen tot dezelfde soort behoren. C GOED D Leerlingen denken dat een populatie hetzelfde is als een levensgemeenschap.
Misvatting: Organismen behoren tot dezelfde populatie als ze daadwerkelijk onderling kunnen voortplanten.
A Leerlingen denken dat soort hetzelfde is als populatie. B Leerlingen denken dat klimaat hetzelfde is als ecosysteem of een afgebakend gebied. C Leerlingen denken dat Nederland één afgebakend/begrensd gebied is. D GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat een bos in climaxstadium niet meer groeit en dus ook geen stoffen meer opneemt en afgeeft.
A Leerlingen denken dat de biomassa nog toeneemt. Zij halen een groeiend bos en een climaxbos door elkaar. Sommige leerlingen denken dat oudere bomen meer fotosynthetiseren en minder ademen dan jongere bomen. B Leerlingen denken dat er geen fotosynthese meer plaatsvindt, omdat het bos geen toename van biomassa heeft. Leerlingen vergeten dat de plant ook fotosynthese moet doen om in leven te blijven. C GOED (Een bos absorbeert koolstofdioxide door fotosynthese en geeft koolstofdioxide af tijdens de ademhaling door planten, dieren en reducenten. Naarmate een bos ouder wordt en ouder wordt, groeien planten niet zo snel, en de snelheid waarmee koolstof wordt opgenomen, neemt af, waardoor het in de buurt komt van de snelheid waarmee koolstofdioxide vrijkomt door ademhaling.)
Misvatting: Leerlingen snappen niet dat biomassa (organische stof) wordt opgebouwd uit CO2.
A GOED (Planten nemen tijdens fotosynthese koolstofdioxide op en geven zuurstofgas af. De koolstofmoleculen worden omgezet van koolstofdioxide in organische vormen, en vele worden opgenomen in plantenweefsels, waardoor de massa van de plant toeneemt.) B Leerlingen halen fotosynthese en dissimilatie door elkaar qua opname en uitstoot van CO2 en O2. C Leerlingen denken dat gassen geen massa hebben/ niet organisch zijn en dus niets toevoegen aan het biomassa van de plant.
Misvatting: Leerlingen denken dat reducenten alles in de bodem achteraten, terwijl er ook CO2 ontsnapt aan de atmosfeer (na verrotting)
A Leerlingen denken dat verrotting zorgt voor meer materiaal / afbraakproducten B GOED Verrotting is de dissimilatie van reducenten. Dissimilatie produceert CO2 en dat diffundeert van de bodem naar de atmosfeer.) C Leerlingen denken dat alle afbraakproducten in de bodem blijven.
Misvatting: Leerlingen denken dat afvaleters bacteriën of schimmels zijn.
A GOED Afvaleters zetten organische stoffen om in organische stoffen. Reducenten breken organische stoffen af tot anorganische stoffen (mineralen). B Leerlingen denken dat afvaleters en reducenten dezelfde organismen zijn. C Leerlingen denken dat afvaleters reducenten zijn, maar reducenten zetten organische stoffen om in anorganische stoffen.
Misvatting: Leerlingen denken dat afvaleters reducenten zijn.
A Leerlingen denken dat afvaleters producenten zijn. B GOED C Leerlingen denken dat afvaleters reducenten zijn.
Misvatting: Leerlingen weten niet dat de producenten op het eerste trofische niveau staan.
A leerlingen denken dat het eerste stap van de keten bovenaan staat en dat dat de planteneters zijn B De leerlingen denken dat de producenten bovenin de piramide staan (niveau 4), waardoor de planteneters met niveau 3 worden aangegeven C GOED D De leerlingen denken dat de piramide alleen over consumenten gaat
Misvatting: Leerlingen denken dat consumenten van de eerste orde ook het eerste trofische niveau zijn.
A Leerlingen denken dat de eerste orde betekent dat je bovenaan in de piramide staat. B Leerlingen denken dat alleen vleeseters consumenten zijn en zien planteneters niet als consumenten C GOED D De leerlingen denken dat de orde verwijzing hetzelfde is als het trofische niveau.
Misvatting:leerlingen denken dat een piramide altijd een piramide vorm heeft.
A Leerlingen denken dat de soort met de grootste aantallen altijd onderaan staat. B GOED C Leerlingen denken dat het altijd een piramidevorm is. D Leerlingen plaatsen het gras bovenaan in de piramide, omdat de voedselketen daarmee begint.
Misvatting: Leerlingen realiseren zich niet dat een biomassa piramide altijd een piramide vorm heeft.
A Leerlingen denken dat de grootste aantallen ook de grootste biomassa hebben. B Leerlingen verwarren de piramide van biomassa en de piramide van aantallen. C GOED D Leerlingen werken van boven naar beneden en werken met aantallen en niet met biomassa.
Misvatting: Leerlingen denken dat predatoren en hun prooi op hetzelfde moment pieken.
A Leerlingen denken dat de predatoren en de prooien tegelijkertijd met veel aanwezig zullen zijn. B GOED
Misvatting: Leerlingen begrijpen niet dat eiwitten en vetten gemaakt worden met mineralen uit de bodem en glucose uit fotosynthese.
A GOED. Ze gebruiken de insecten slechts voor mineralen / als stikstofbron B Leerlingen denken dat de plant de insecten eet als voedselbron (en energierijke stoffen opneemt) C Leerlingen denken dat het reducenten zijn omdat ze organische stoffen afbreken tot mineralen, maar reducenten zijn altijd micro-organismen
Bron afbeelding Interessante kennis bron over voortgezette assimilatie
Misvatting: Leerlingen begrijpen de rol van planten in de kringloop van stoffen niet goed.
A Leerlingen denken dat alleen dieren eiwitten nodig hebben (voor spieropbouw etc) B Leerlingen denken dat planten energierijke stoffen (voedsel) uit de bodem opnemen C GOED
Tip: varieer deze vraag met de andere energierijke stoffen koolhydraten en vetten
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ademhaling.
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – borstademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen groter worden, maar koppelen dat niet aan een beweging van de borstkas. D Ze weten dat de ribben eerst moeten bewegen maar niet dat dit door spieren veroorzaakt wordt
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen denken dat lucht die binnenstroomt de longen vergroot – buikademhaling
A Leerlingen denken dat inademing begint met het binnenstromen van de lucht en daardoor de longen vergroten B GOED C Ze weten dat de longen eerst groter worden maar niet dat spieren dit veroorzaken (via de borstkas) D Ze weten dat het middenrif eerst moet bewegen maar niet dat dit een spier is die aanspant.
Tip: na het beantwoorden van de vraag kunnen de stappen in volgorde worden gezet
Misvatting: Leerlingen halen hier de functies van de neusharen, neusslijmvlies, slijmproducerende cellen en trilharen door elkaar. Het is bij de trilharen moeilijk voor leerlingen de eigenschappen op mirco niveau te vertalen naar macro. Ze denken vaak dat de onzichtbare trilharen ook dingen vangen net zoals de zichtbare neusharen.
A GOED B Dit is de functie van de slijmproducerende cellen C Dit is de functie van het neusslijmvlies D Dit is de functie van de neusharen
Misvatting: Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt
A Leerlingen denken dat je alleen koolstofdioxide uitademt B Leerlingen draaien koolstofdioxide en zuurstof om. C GOED
Tip: voeg in de uitleg achteraf toe dat er nog meer dingen zijn die in de uitgeademde lucht zitten (stikstof, waterdamp etc..)
Mivatting: Leerlingen begrijpen niet hoe de cellen / weefsels / orgaanstelsels onderling samenwerken.
D GOED
Origineel ontwikkeld door the University of York Science Education Group and the Salters’ Institute. Download the original from www.BestEvidenceScienceTeaching.org
Misvatting: Leerlingen verwarren lucht en zuurstof. Leerlingen denken dat er lucht wordt opgenomen in het bloed.
A Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar. B GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is en vergeten dat dit in opgeloste vorm in het bloed terecht komt.
A GOED B Leerlingen denken dat zuurstof altijd gasvormig is C Leerlingen denken dat de zuurstof direct aan de hemoglobine wordt gebonden
Misvatting: Leerlingen begrijpen het proces van ventilatie niet goed. Er zijn misvattingen over de hoeveelheid lucht die ververst wordt.
A Leerlingen denken dat alle “oude” lucht eruit gaat en vervangen wordt door “verse” lucht terwijl er een nieuw mengsel ontstaat van oude en verse lucht B GOED C Leerlingen verwarren lucht en zuurstof met elkaar D Leerlingen weten dat zuurstof en koolstofdioxide worden uitgeademd, maar vergeten de andere bestanddelen van lucht
Misvatting: leerlingen halen ventilatie en gaswisseling door elkaar.
A Leerlingen denken dat ventilatie en gaswisseling hetzelfde is B GOED C Leerlingen halen de termen ventilatie en gaswisseling door elkaar
Misvatting: Leerling verwart de beweging van de ribben en het middenrif. Bij uitademing gaan de ribben omlaag maar het middenrif omhoog. Hetzelfde geldt voor het aanspannen van de spieren. Bij de tussenribspieren veroorzaakt aanspannen een beweging omhoog terwijl dit bij het middenrif zorgt voor een beweging omlaag.
A Leerling verwart in- en uitademing. B Leerling heeft door dat middenrif omhoog gaat, maar denkt dat dit komt door een aanspanning C Leerling heeft door dat het middenrif ontspant, maar denkt dat deze dan omlaag gaat. D GOED
Tip: varieer deze ook met inademen.
Misvatting: Leerlingen denken dat zowel de binnenste als buitenste tussenribspieren samentrekken bij inademing en bij uitademing beide ontspannen. In de onderbouw leren ze dat inademen een actief proces is waarbij spieren samentrekken. De binnenste en buitenste tussenribspieren zijn echter antagonisten, de binnenste trekken samen bij uitademing. De buitenste trekken samen bij inademing.
A Leerlingen denken dat alle tussenrib spieren de ribben omhoog trekken (zoals ze in de onderbouw geleerd hebben) B Leerlingen halen binnenste en buitenste ribspieren door elkaar C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ademhaling.
Misvatting: Leerlingen denken dat poepen bijdraagt aan het verteringsproces.
A Leerlingen denken dat het speeksel alleen helpt om het voedsel de slokdarm in te krijgen B Leerlingen denken dat kauwen alleen helpt om het voedsel de slokdarm in te krijgen C Leerlingen denken dat dit alleen helpt om het voedsel vooruit te duwen D GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat zuurder overeenkomt met een hogere pH waarde
A Leerlingen denken dat zuurder overeenkomt met een hogere pH waarde B GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat de opname van stoffen alleen plaatsvindt in de dunne darm.
A GOED B Leerling denkt dat stoffen eerst in elk geval deels afgebroken moeten zijn voor opname kan plaatsvinden. C Leerling denkt dat de darmen de enige plek zijn waar voedingsstoffen worden opgenomen. D Leerling heeft de dunne darm en dikke darm door elkaar gehaald.
Misvatting: Leerlingen denken dat de opname van voedingsstoffen alleen plaatsvindt in de dunne darm
A De meest gemaakte fout. Leerlingen denken dat alleen de opname van voedingsstoffen hierin gebeurt B Sommige beseffen dat water ook een voedingsstof is en dat de dikke darm dit vooral opneemt C GOED Sommige stoffen zoals de glucose en water worden ook al in de mond en maag opgenomen
Misvatting: Leerlingen beseffen niet dat gezonde voeding niet gaat over individuele voedingsmiddelen. Een voedingsmiddel kan gezond of ongezond voor je zijn, afhankelijk van de hoeveelheid en de samenstelling van de rest van je dieet en leefstijl.
A Leerling denkt dat een voedingsmiddel altijd gezond of ongezond is B GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat de opname van voedingsstoffen alleen plaatsvindt in de dunne darm
A GOED B Leerling denkt dat er in de mond niks opgenomen wordt
Misvatting: Leerlingen verwarren voedingsmiddel en voedingsstof.
A Leerlingen verwarren voedingsstof met voedingsmiddel B GOED
Tip: varieer met deze vraag door voedingsstof/voedingsmiddel te wisselen en verschillende voedingsmiddelen en voedingsstoffen te gebruiken.
Misvatting: Leerlingen denken dat voedingsstoffen alleen in de dunne darm opgenomen kunnen worden. Daar worden wel verreweg de meeste voedingsstoffen opgenomen maar ook in bijvoorbeeld de mondholte, maag en dikke darm worden voedingsstoffen opgenomen.
A GOED B Leerlingen verwarren de vertering van zetmeel met opname van zetmeel. Zetmeel wordt (deels) verteert tot maltose maar dit is te groot om in de bloedbaan opgenomen te worden C Zie B D Leerlingen denken dat er in de mondholte geen opname van voedingsstoffen plaats kan vinden
Misvatting: Leerlingen denken dat al het voedsel verteerd moet worden in het maagdarmkanaal voordat het opgenomen kan worden in het bloed.
A Zetmeel is een polysacharide en moet worden verteerd tot glucose (monosacharide) B GOED C Maltose is een disacharide en moet worden verteerd tot glucose (monosacharide) D Mineralen, vitaminen en monosachariden zijn klein genoeg om te kunnen worden opgenomen in het bloed
Misvatting: Leerlingen denken dat al het voedsel verteerd moet worden in het maagdarmkanaal voordat het opgenomen kan worden in het bloed.
A Leerlingen realiseren zich niet dat vezels grote moleculen zijn zoals bijvoorbeeld cellulose B Leerlingen realiseren zich niet dat eiwitten egrote moleculen zijn, opgebouwd uit aminozuren C Leerlingen realiseren zich niet dat vetten grote moleculen zijn, opgebouwd uit glycerol en vetzuren D GOED
Misvatting: Leerlingen denken dat alle hormoonklieren worden aangestuurd vanuit de hypofyse. Daarnaast verwarren de leerlingen de werking van insuline met glucagon.
A GOED B Leerlingen denken dat alle hormoonklieren worden aangestuurd via de hersenen C Leerlingen halen de functie van insuline en glucagon door elkaar D Leerlingen denken dat alle hormoonklieren worden aangestuurd vanuit de hypofyse en leerlingen halen de functie van insuline en glucagon door elkaar
Misvatting: Leerlingen denken dat gal in de galblaas wordt gevormd in plaats van opgeslagen.
A Leerlingen denk dat het op de plek gemaakt wordt waar het gebruikt wordt B Leerlingen denken dat de alvleesklier naast alvleessap ook gal produceert C GOED D Leerlingen denken dat in deze opslagplaats het gal ook geproduceerd wordt
Misvatting: Leerlingen denken dat niet essentiële aminozuren niet nodig zijn voor je lichaam.
A Leerlingen denken dat niet essentiële aminozuren niet nuttig zijn voor je lichaam, omdat je ze niet per se in je voeding moet hebben B Leerlingen weten het verschil niet tussen essentieel en niet-essentieel C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
DI-7 Misvatting/veel gemaakte fout: Verkeerd hanteren van de afgeleide van de wortelfunctie
A Alleen wortel geschreven als macht, nog niet de afgeleide B Exponent correct ervoor gehaald, weggehaald bij exponent C Vergeten de exponent te veranderen D Juist
DI-8 Misvatting: diverse fouten maken bij het bepalen van de extreme waarde A: f(x)=0 berekend (nulpunten). B: f’(x)=0 berekend, maar de x-coördinaat gegeven in plaats van de y-coördinaat. C: Goed D: f(0) berekend, in plaats van f’(x)=0.
DI-9 Misvatting: koppeling afgeleide en extreme waarde mist A: nulpunten aantonen i.p.v. extreme waarde B: Goed C: Aangetoond dat snijpunt met de y-as 2 is. D: Aangetoond bij welke x-waarde(n) de afgeleide gelijk is aan 2.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
GV-28 Misvatting: De exponent ook toepassen op het getal dat voor de haakjes staat of verkeerd toepassen op het getal binnen de haakjes.
A: De 2 voor de haakjes ook gekwadrateerd, zodat er 4*9=36 uitkomt B: juist C: De 2 niet gekwadrateerd, de -3 wel gekwadrateerd maar op -9 gekomen in plaats van 9 D: De 2 gekwadrateerd (onjuist) en de -3 ook gekwadrateerd (juist), maar op -9 gekomen in plaats van 9 (onjuist)
GV-29 Misvatting: De exponent ook toepassen op het getal dat voor de haakjes staat of verkeerd toepassen op het getal binnen de haakjes.
A: De 3 voor de haakjes ook gekwadrateerd, zodat er 9*4=36 uitkomt B: De 3 voor de haakjes ook gekwadrateerd en (-2)^2=-4 genomen, zodat er 9*-4=-36 uitkomt C: juist D: De 3 niet gekwadrateerd (juist), maar (-2)^2=-4 genomen
GV-30 Misvatting: Bij het herschrijven van een quotiënt in de war raken met de minnetjes
A: a^8 (onjuist) gedeeld door a^-5 B: a^-8 (juist) gedeeld door a^-5, maar een min vergeten (moet zijn -8—5) C: juist D: a^8 (onjuist) gedeeld door a^-5, maar ook nog een min vergeten
GV-31 Misvatting: Bij het herschrijven van een quotiënt in de war raken met de minnetjes
A: a^12 min a^2 in plaats van a^12 min min a^2. B: Juist C: a^12 onjuist gedeeld door a^-2 D: a^12 (onjuist) gedeeld door a^2
GV-32 Misvatting: Bij het herschrijven van een macht naar een breuk gaat het vaak fout bij het verwerken van het getal op de juiste manier
A: De exponent niet toegepast op 2 en de 2 als factor in de noemer gezet ipv in de teller. (Fout die na DV slide 5 gemaakt kan worden) B: De exponent niet toegepast op 2 C: Juist D: Wel de exponent -3 toegepast op q, maar in plaats van 2^-3, 2*-3 gedaan
Gv-33 Misvatting: Bij het herschrijven van een macht naar een breuk gaat het vaak fout bij het verwerken van het getal op de juiste manier
A: De exponent niet toegepast op 1/3 B: juist C: Exponent 2 gebruikt in plaats van -2 D: Wel de exponent -2 toegepast, maar in plaats van 3^2 3*2 gedaan
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
VF-6 Misvatting: de rol van de asymptoot bij logaritmische functie
A: De lln telt de asymptoot mee, verder goed B: Juist C: De leerling is de linkergrens i.c. de asymptoot vergeten D: De lln heeft zowel de linkergrens i.c. de asymptoot, als de ≤ niet begrepen/vergeten
VF-7 Misvatting: de rol van de asymptoot bij logaritmische functie
A: De lln telt de asymptoot mee, verder goed B: Juist C: De leerling is de rechter grens i.c. de asymptoot vergeten D: De lln heeft zowel de rechtergrens i.c. de asymptoot, als de ≤ niet begrepen/vergeten
VF-8 Misvatting: de rol van de asymptoot bij logaritmische functie
A: Juist B: De leerling telt de asymptoot mee, verder goed C: De leerling gaat er vanuit dat een logaritme altijd naar rechts gaat D: De lln maakt denkfouten B en C
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Dit is een PowerPoint met diagnostische vragen bij het thema ademhaling.
Misvatting: Leerlingen verwarren de begrippen impuls en prikkel.
A Leerlingen denken dat prikkels inwendig voorkomen B Leerlingen denken dat het algemene woord ‘signaal’ specifiek genoeg is C GOED
Misvatting: Leerlingen verwarren de begrippen prikkel, impuls en neurotransmitters.
A GOED B Leerlingen verwarren prikkel en impuls C Leerlingen verwarren prikkels met neurotransmitters
Tip: voor de bovenbouw kun je ook intern milieu toevoegen in de antwoordopties en/of de bespreking
Misvatting: Leerlingen vinden het moeilijk de eerste stap van een reactieproces (van prikkel tot gedrag) te onderscheiden.
A GOED B Leerlingen denken dat prikkels in de hersenen binnenkomen of beginnen C Tsja, waarom zou een leerling dit in hemelsnaam kiezen? We horen het graag D Leerlingen denken dat de gevoelszenuwcel de prikkel omzet
Tip: in de bovenbouw vwo kun je bespreken dat bij pijnpunten de uitlopers zowel zintuigcel als gevoelszenuwcel zijn
Misvatting: Leerlingen herkennen de richting van de impulsoverdracht niet / snappen niet hoe een synaps werkt.
A Leerlingen denken dat het cellichaam stoffen vormt B Leerlingen halen de plek waar de stoffen vrijkomen door de war met waar die effect hebben C GOED D Leerlingen denken dat er pas verderop in de cel effect kan hebben
Misvatting: Leerlingen denken dat in een synaps door beide zijdes neurotransmitters worden afgegeven.
A Leerlingen weten niet dat de impulsoverdracht altijd richting het motorisch eindplaatje gaat B GOED C Leerlingen weten dat de impuls twee kanten op gaat, maar weet niet dat de impuls maar aan een kant doorgegeven wordt in de synaps
Misvatting: Leerlingen denken dat in een synaps door beide cellen/zijden neurotransmitters worden afgegeven.
A GOED B Leerlingen weten niet goed hoe de richting van een synaps werkt C Leerlingen denken dat beide zijden van de synaps neurotransmitters afgeven
Misvatting: Leerlingen denken dat de impuls maar in één richting door een zenuwcel kan gaan
A Leerlingen denken dat de impuls enkel naar het cellichaam gaat B Leerlingen denken dat de impuls enkel van het cellichaam af gaat C GOED D Leerlingen denken dat de impuls alleen kan beginnen aan het begin of eind van een zenuwcel
Bron afbeelding
Misvatting: Leerlingen denken dat de impuls maar in één richting door een zenuwcel kan gaan. Leerlingen herkennen de richting van de impulsoverdracht niet / snappen niet hoe een synaps werkt.
A Leerlingen denken dat de impuls alleen richting synaps gaat B Leerlingen denken dat de impuls alleen richting receptor gaat C GOED D Leerlingen denken dat de impuls altijd over een synaps kan worden doorgegeven
Misvatting: Leerlingen verwarren de functies van het ruggenmerg en de wervelkolom.
A Leerlingen denken dat het ruggenmerg hetzelfde is als de wervelkolom B Leerlingen denken dat het ruggenmerg hetzelfde is als de wervelkolom C GOED
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
Deze PowerPoint bevat diagnostische vragen bij het thema evolutie.
Misvatting: Leerlingen denken dat individuen zich in de evolutie gericht aan hun omgeving aanpassen i.p.v. dat er selectie op bestaande variatie plaatsvindt (waaronder toevallige mutaties)
A Leerlingen denken dat mutaties gericht ontstaan door de omstandigheden B GOED C Leerlingen denken dat een individu het genotype kan aanpassen indien nodig
Misvatting: Dat individuen zich in de evolutie aan hun omgeving aanpassen 2e misvatting: dat evolutie-veranderingen gerichte/gestuurde veranderingen zijn
A Leerlingen denken dat de omgeving gerichte mutaties veroorzaakt B Een gen wat er nog niet is, kan ook niet aangezet worden. C GOED D Misvatting dat individuen zich aanpassen. Dit antwoord zou goed kunnen zijn als leerlingen de stappen ervoor ook allemaal beredeneren. Belangrijk om de antwoorden na te bespreken
Misvatting: Verkeerd begrip van ‘fittest’ als ‘sterkste’, ‘snelste’ of ‘fitste’
A Leerlingen denken dat “fittest” de fitste is B GOED C Leerlingen denken dat “fittest” de sterkste is D Leerlingen denken dat “fittest” de snelste is
Misvatting: Leerlingen vergeten vaak te denken aan voortplantingssucces bij het begrip van ‘fittest’
A GOED B De kans is klein dat een oude leeuw nog meer nakomelingen krijgt dan een jongere leeuw. (Deze heeft nog wel een kans om meerdere nakomelingen te krijgen) C Leerlingen denken dat “fittest” gaat over sterk zijn D Leerlingen denken dat “fittest” gaat over sterk zijn
Misvatting: Leerlingen denken dat bacteriën meteen als groep resistent worden. Leerlingen denken dat evolutie direct via grote aantallen organismen verloopt.
A GOED B Leerlingen denken dat een aanpassing direct wordt overgenomen door de hele populatie. Zij missen de stap dat dit via selectie verder moet verspreiden door de populatie. C Leerlingen kennen het begrip levensgemeenschap niet goed D Leerlingen denken dat bacteriën ‘vanzelf’ resistent worden door het gebruik van antibiotica – het is als het ware een eigenschap van bacteriën om dat te doen.
De vragen en toelichtingen vallen onder een CC BY-SA 4.0 licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0